Commentaar

Concreet kolonialisme

Je kan best trots zijn op wat het ‘Vrije Westen’ allemaal voor goeds heeft bereikt, maar wie de ogen sluit voor de negatieve kanten van onze geschiedenis is gek. Een krachtig symbool van dat pijnlijk schurende verleden is de koloniale roofkunst in westerse musea. Een erfenis van de tijd waarin westerse superioriteit leidraad was, en macht en hebzucht belangrijker waren dan recht en barmhartigheid.

Dat machtsverschil bestaat nog steeds en toont zich in het getouwtrek over mogelijke teruggave. Dirk Vlasblom beschrijft verderop in deze bijlage hoe het Leidse Museum voor Volkenkunde worstelt met zijn prachtige beeldjes uit het in 1897 door het Britse koloniale leger verpletterde Afrikaanse koninkrijk Edo (of ‘Benin’). De roofbuit werd toen verkocht om de kosten van verovering te dekken, en het Nederlandse museum zag indertijd zijn kans schoon, net als het British Museum. Een buitenkansje!

De musea erkennen nu voluit die omstreden herkomst, maar teruggave is een probleem. Want dat zou hun pretentie van ‘universeel museum’ aantasten. Maar die objectiviteit ligt nu ook aan barrels.

De kwestie raakt aan de aanwakkerende discussie over vernoemingen naar oude, inmiddels omstreden helden. Als ‘Slager van Banda’ heeft J.P. Coen twéé tunnels onder het Noordzeekanaal op zijn naam. Pijnlijk, die Coentunnels, maar de meeste van die koloniale vernoemingen stammen niet uit de bloederige Gouden Eeuw zelf, maar zijn uit de negentiende eeuw, toen ‘Jan Salieland’ Nederland smachtte naar een machtig verleden. De vernoeming van de twee Coentunnels (uit 1966 en 2013) is een soort tweedegraadsvernoeming, omdat ze hun naam danken aan de naburige Coenhaven, uit 1913.

Bij geroofde kunst in onze vaderlandse musea gaat het om meer dan een naam. Alsof je de met massamoord verworven zakken peper van de Banda-eilanden zélf in de kast hebt liggen. Als het oude machtsverschil echt verdwenen was, waren deze ‘stukken’ allang teruggegeven.