Column

Burgemeester

De stad uit (2)

Veel Amsterdammers denken er stiekem weleens over na: de stad uit, weg van de drukte. Journalist en radiomaker Petra Possel (54) deed het. Na 30 jaar Amsterdam verhuisde ze naar een klein dorpje in Friesland. In NRC brengt ze regelmatig verslag uit.

De burgemeester van Amsterdam was deze zomer op tv. En opeens was hij weer ‘mijn’ burgemeester, terwijl ik me toch echt uit Amsterdam heb laten uitschrijven. Even was hij ‘mijn burgemeester’ en Amsterdam ‘mijn stad’.

De stad waar ik op vijf adressen binnen de ring woonde.

Waar ik tot driemaal toe de man van mijn leven tegenkwam.

Waar ik een dochter baarde, een echtgenoot begroef.

Een echtgenoot die voor altijd rust in een groene oase tussen treinen, dancefeesten, volkstuinen en de eindeloze stroom auto’s op de A10.

De burgemeester had het over de krimp op het platteland en schetste zijn droom van de vier Randstad-steden die samen één metropool, een soort New York, vormden. En dat verweesde platteland dan? „Zorg dat de mensen uit steden die het daar goed doen, kunnen uitrusten en genieten op het platteland en dat daarmee het platteland z’n kracht terugkrijgt. Naarmate het leven in onze steden jachtiger wordt, gaat die behoefte aan rust ontstaan.”

Uitrusten en genieten op het platteland. Ik had het de burgemeester zo gegund.

Iedere dag loop ik even naar de dijk, een wandelingetje van twee minuten. Ik kijk over het water dat ooit de Zuiderzee was, een beeld dat continu verandert. Het oeverriet is goudgeel, aan de einder ontdek ik de contouren van tientallen zeilboten, een vlucht ganzen komt over, er lopen schapen en lammetjes op de dijk. Helemaal links zie ik de kerktoren van Hindeloopen en helemaal rechts de vierkante kolos van Feadship in Makkum. Ooit was deze scheepswerf van Donald Trump, maar die leek het vooral te willen hebben om zijn protserige plezierjacht van 128 meter lang af te kunnen bouwen.

Rechts schuin voor me ligt de Afsluitdijk. Als ik mijn ogen een beetje dichtknijp kan ik de auto’s zien, het is een uur rijden naar Amsterdam. Achter mij tegen de dijk aan ligt mijn dorp met tweehonderd inwoners. Ooit was het een walvisvaardersdorp, nu wonen er vooral boeren, timmerlui en een enkele vreemdeling zoals ik. Import. Randstedeling.

Ik ben een vreemdeling, maar ik voel me thuis. Het is niet alleen uitrusten, het is langzaam mezelf worden. Mezelf. De vrouw die ik was voor ik zwetend en vloekend op de fiets mijn werk bereikte.

Voor ik, opgetrokken uit haast en spoed, niets van het leven wilde missen.

Vorige week at ik stimpestamp bij de buren. We bespraken de wereld, de buurman had het over „mohammedanen” en we dronken Duitse witte wijn uit een kartonnen pak.

Ik was nog nooit zo mezelf geweest de laatste tijd.