Recensie

Woelen in de woede van de wafelaars

Roman Helinski

Alles in de fabriek loopt op rolletjes, totdat Arka verschijnt. Is hij Messias? Demagoog? Halvegare? In elk geval is hij bij Roman Helinski in goede handen.

In de documentaire De Strijd, over ‘de geschiedenis van de arbeider’, kwamen vrouwen aan het woord die jarenlang eentonig werk aan de lopende band hadden verricht. De Strijd ging toch ook best wel over het verzet van de arbeider tegen de arbeid, iets dat ik me wel kon inbeelden als je stompzinnig werk voor een mager loon doet. Maar als stompzinnig hadden de dames het niet ervaren. Het was zelfs ‘hartstikke leuk werk hoor’, zeiden ze. Dat loon kon altijd beter, maar dat werk, ach, je kon er lekker bij praten, je had vaste gezichten om je heen, je wist waar je aan toe was.

Dit is zo ongeveer de wereld van De wafelfabriek, de tweede roman van Roman Helinski (1983). Hierin treffen we een aantal vrouwen en een enkele man aan die er zorg voor dragen dat de supermarkten in binnen- en buitenland van wafels voorzien worden. Een oude baas bedient de oven, de rest snijdt en pakt in, en ergens in een comfortabel kamertje houdt een directeur de productiecijfers in de gaten.

Wat meteen opvalt, is de combinatie van milde spot en erbarmen waarmee Helinski het gezelschap neerzet: hij heeft vaak aan het secuur plaatsen of juist weglaten van een enkel woord genoeg om zijn biotoop de juiste kleur te geven. Alles draait naar behoren, maar bij de minste hobbel in de weg komt het menselijk tekort aan de oppervlakte. Afgunst. Buitensluiting. Achterklap.

De harmonie wordt voorgoed doorbroken als ene Arka Narovski bij de fabriek komt werken. Een boom van een vent is het, met een militair verleden, al komen we ook niet veel meer over hem aan de weet. Maar charisma heeft hij. In een mum van tijd schaart het arbeidersbestand zich achter die mondige man die de strijd aanbindt met de directeur. Want er is een hoop mis, fluistert hij zijn collega’s in, en daar moet wat aan veranderd worden. Arka is echter een onvervalste stokebrand, want in een onderonsje met de directeur pookt hij ook die op: jij bent toch de baas? Nou, laat je tanden dan zien.

Arka gaat die fabriek overnemen, denk je dan. Maar dat is niet waar het Helinski om gaat: Arka blijft weliswaar een voorname rol spelen in de roman, maar hij is niet meer dan een spiegel die ons moet laten zien waartoe mensen te bewegen zijn als ze op de juiste toonhoogte bespeeld worden. Jarenlang bestond er geen horizon voor de lopende band medewerkers, maar nu Arka ze die gewezen heeft, is het hek van de dam. Hij heeft gewoeld in een reservoir van woede – woede die waarschijnlijk niet eens door de directeur en zijn beleid is veroorzaakt.

Je kan alleen maar bewondering hebben voor Helinski’s ironische subtiliteit, die eerder steunt op een klassieke schrijver als Gogol dan op iets 'nieuwerwetsigs'. En door zijn aanleg voor het komisch-absurde, want de tweede helft van de roman bestaat uit een serie pijnlijke rituelen, wijkt hij af van de zuiver realistische roman die De wafelfabriek lang beloofde te blijven. Hij laat de lezer hiermee niet alleen nadenken over wat die Arka nu helemaal voor figuur symboliseert (Messias? Een politieke demagoog? Een halvegare?), hij laat je er ook lang mee in het ongewisse wat voor verhaal je in handen hebt. Allegorie? Een sprookje? Een dystopie? Wat het ook is, Helinski is een rasverteller.