Cultuur

Interview

Interview

Martine Gosselink voor een schuttersstuk van Bartholomeus van der Helst. Van iedereen op het doek is de naam bekend, behalve van de zwarte jongen. „Dit zijn de stemmen die je niet meer hoort. Ik zie het als mijn opdracht ook die stemmen onder de aandacht te brengen.”

‘Schaamte is mijn kompas, daar vaar ik op’

Martine Gosselink

Als hoofd geschiedenis van het Rijksmuseum streeft Martine Gosselink naar een stem voor iedereen die geen stem heeft. ‘We hebben geen idee hoeveel woede er nog heerst, over Nederland.’

‘Dit gebouw blaakt van trots”, zegt Martine Gosselink. We zitten in de villa van het Rijksmuseum in Amsterdam. In haar kamer met uitzicht op de tuin en de fontein, zet het hoofd geschiedenis van het museum uiteen wat zij als haar opdracht ziet. „Wij tonen hier de pronkstukken van de elite in Nederland. Dat is geweldig, daar trekken we miljoenen bezoekers mee. Maar geschiedenis is ook rauw en vies, ze stinkt. Ik wil niet alleen de geschiedenis van de overwinnaars schrijven.”

In het brisante debat over de Nederlandse identiteit speelt de afdeling geschiedenis van het Rijksmuseum een eigenzinnige rol. Eind 2015 werd besloten uit de tekstbordjes ouderwetse aanduidingen als neger, nikker, spleetoog, kaffer en Hottentot te verwijderen, maar ook aanduidingen die verwezen naar huidskleur – tenzij ze functioneel waren of in de door de kunstenaar gegeven titel van het schilderij stonden. Ook is een reeks boeken gemaakt over koloniale betrekkingen van Nederland met landen overzee. Dit jaar werd de tentoonstelling ‘Goede Hoop’ georganiseerd over de relatie met Zuid-Afrika door de eeuwen heen. Voor 2020 staat een tentoonstelling over slavernij op stapel en in 2021 de dekolonisatie van Indonesië. Ja, er worden ook tentoonstellingen gemaakt over de Tachtigjarige Oorlog of de Tocht naar Chatham, maar onder aanvoering van Martine Gosselink is het Rijksmuseum ook consequent bezig zich rekenschap te geven van het koloniale verleden.

Toen ik werd aangenomen, werden hier en daar wenkbrauwen gefronst, want: én vrouw én jong én niet gepromoveerd

Vrijdag presenteerde het Openluchtmuseum in Arnhem de Canon van Nederland, een tentoonstelling over de geschiedenis ‘van hunebed tot heden’. Gosselink ging donderdag kijken en reed vrolijk terug. Het Openluchtmuseum heeft samen met haar afdeling „het concept ontwikkeld”, zegt ze. Er hangen en liggen zestig bruiklenen van het Rijksmuseum. De erfenis van de koloniale tijd is subtiel verwerkt, vindt Gosselink. In plaats van het logo van de West Indische Compagnie wordt bijvoorbeeld de foto van een handboei uit de slaventijd gebruikt.

Bekijk hier de hele Canon van Nederland

Het gewone volk

Gosselink (48) solliciteerde in 2009 bij het nog in renovatie verkerende Rijksmuseum en sprak met de huidige algemeen directeur Taco Dibbits, destijds directeur collecties. Zij wilde, zei ze hem, het beeld van de elite met alle portretten en schuttersstukken in evenwicht brengen met dat van het gewone volk, de soldaten, de gevangenen, de tot slaaf gemaakten – iedereen die in de geschiedenis geen stem heeft. Ze werd aangenomen, waarbij volgens haar „wel hier en daar wenkbrauwen zijn gefronst, want: én vrouw én jong én niet gepromoveerd”.

Op haar computer haalt ze het ene na het andere voorbeeld tevoorschijn. Een portret van Margaretha van Raephorst met een jonge, zwarte page. „Dit is handtasjeswerk”, zegt Gosselink. „Pages waren mode. Hij is een accessoire, het equivalent van een schoothondje. Als deze jongen te oud werd, vonden ze hem niet meer zo schattig en zie je hem nooit meer op een schilderij terug. Hij is verdwenen in de geschiedenis, net als alle andere pages en kindslaven.”

Ze toont een schuttersstuk van Bartholomeus van der Helst, met tussen de breedgekraagde mannen een zwart jongetje. Van alle schutters zijn naam en toenaam bekend, zelfs van het witte jongetje links op het doek. Niet van het zwarte. „Dit zijn de stemmen die je niet meer hoort. Ik zie het als mijn opdracht ook die op de een of andere manier onder de aandacht van het publiek te brengen.”

Juist het Rijksmuseum kan dat aansnijden, zegt Gosselink. Na de heropening in 2014 stond het „binnen no time weer in de internationale toptien. Vanuit die kracht moeten we de hiaten in onze collectie tonen – namelijk wat we niet kunnen laten zien. Dat is ingewikkeld. Per tekstbordje hebben we zestig woorden – bezoekers lezen liever niet méér – en in die beknopte ruimte kun je nooit de meerstemmigheid van de geschiedenis laten klinken. Daar moeten we dus andere manieren voor bedenken. Onderzoek, boeken, een multimediatour, rondleiders, debatten.”

Ze vertelt wat ze hoorde van Jennifer Tosh, een van oorsprong Amerikaanse vrouw die in Amsterdam regelmatig Black Heritage Tours organiseert. Gosselink heeft schilderijen en voorwerpen laten zoeken die voor deze tour interessant kunnen zijn. Het schuttersstuk van Van der Helst is daar één van. „Tosh zei me dat alle zwarte bezoekers die ze rondleidt, het zwarte jongetje op het schilderij meteen opmerken. En dat de witte bezoekers hem pas zien als ze erop gewezen worden.”

Schrijver Adriaan van Dis, die meewerkte aan ‘Goede Hoop’, roemt Gosselinks „soepele geest en grote incasseringsvermogen”. Die heeft ze nodig ook, want bij elke stap wordt van alle kanten meegekeken. Een collega vroeg bij de aanloop naar ‘Goede Hoop’ waar een tentoonstelling over zwarte mensen nou voor nodig was. Hij was gelukkig óm toen hij de opstelling had gezien en haar rede had gehoord. Maar toch: „Wij zijn hier in het Rijksmuseum ook niet eenstemmig over alles.”

Politiek correct

Roger Cremers

De kritiek van buiten is rauwer. Toen het museum de aanpassing van de tekstbordjes aankondigde, hoonden sommigen meteen: hè, wat politiek correct. „Dan denk ik: het Rijksmuseum is bij uitstek de plek waar je politiek correct moet zijn. Niet dat je zaken verfraait of verdoezelt, maar dat je je bij de feiten houdt.” Over twintig jaar, denkt ze, vinden we het heel normaal dat niemand nog het woord ‘neger’ gebruikt, zoals nu niemand meer verwacht dat je rookt in een vliegtuig.

Dat het Rijksmuseum school maakt met de tekstzuivering, merkt ze als ze in het buitenland lezingen geeft. „In Portugal schrokken ze zich wild: wat lopen wij achter, dachten ze. In Kopenhagen en elders zijn ze ons voorbeeld al gaan volgen.” Het Tropenmuseum in Amsterdam was er trouwens al langer mee bezig.

Lees ook: Tal van westerse musea hebben kunst in hun collectie die is geroofd uit de toenmalige koloniën. Moeten ze die houden of teruggeven?

Het gaat zelfs zover dat de directeur van een internationale koepelorganisatie voor musea vroeg of er niet een internationale taalgids moest komen. „Nee, nee”, zegt Gosselink. „Elk land is anders. Elk land heeft zijn eigen politieke of koloniale gevoeligheden.”

Op de derde dag dat ‘Goede Hoop’ open was, leidde Gosselink een groep kritische zwarte en witte activisten rond. „Ik vertelde over de Basters, een etnisch gemengde groep inwoners van Zuid-Afrika die halverwege de 19de eeuw uitweek naar Namibië. Een van de activisten zei: ‘Basters? How dare you say Basters?’ Die man kon mijn bloed wel drinken. Pardon, zei ik. Die naam heb ik niet bedacht. Ja, het komt van ‘bastaards’ en het heeft die negatieve bijklank. Maar die mensen noemden en noemen zichzelf nog altijd zo. Ken je geschiedenis en ga mij niet de les lezen als je die niet kent.”

Een andere man vond de hele tentoonstelling ‘erg wit, erg elitair en erg makkelijk gedacht vanuit de luie conservatorsstoel’. Had hij een punt? „Hij voelde zich niet vertegenwoordigd. Hij zei: ‘Dit gaat allemaal weer over de witte Nederlanders.’ Ja, maar wat zeg ik nou door kralen of schoenen van de Khoi of de San neer te leggen? Elk stuk op die tentoonstelling moest de bezoeker iets duidelijk maken over de geschiedenis van de relatie tussen Nederland en Zuid-Afrika.”

Op de muren van de zalen stonden zinnen in witte kalkletters die op protestslogans leken. Een van die zinnen was opgetekend uit de mond van een Khoi. „Daar werd de activist ook boos over. ‘So now you’re using my history. Does that make you feel better?’ Hij wilde niet dat ik de woorden van de Khoi citeerde. Cultural appropriation. Hou eens op! We wilden laten zien hoe de verschillende bevolkingsgroepen op elkaar reageerden, dat de Khoi zich van meet af aan hebben verzet tegen de Nederlanders. Als ik die quotes daarvoor niet eens mag inzetten, hoe moet ik het dan doen?”

Bernard Wientjes, voorzitter van het Rijksmuseum Fonds, zei tegen Gosselink: ‘Als je van allebei de extreme kanten kritiek krijgt, zul je het ergens wel goed hebben gedaan.’

„We zitten in een emancipatieproces. Men roept op tot het veranderen van namen en het omdopen of weghalen van standbeelden. Er is een herschikking van de geschiedenis aan de gang. Dat is moeilijk en pijnlijk. De stem die nooit gehoord is, eist nu ruimte op en die ruimte komt er. Ja, er is ook een reactie, daar moet je niet van schrikken. Het gaat ook nog heel lang door en we zijn nog lang niet klaar. Het proces naar de discussie toe is veel belangrijker dan de uitkomst. We hebben de wind mee. Kijk hoe de directie van ons museum meegaat. Hoe we collega’s kunnen overtuigen. Van New York tot Praag vragen ze ons over de tekstbordjes. Ik geloof in dit emancipatieproces en dat het nodig is – zonder door te schieten.”

De stem die nooit gehoord is, eist nu ruimte op en die ruimte komt er. Ja, er is ook een reactie, daar moet je niet van schrikken

Met de bajonet vooruit

Kritiek maakt Gosselink schuw noch verbeten. Ze is ontspannen, vrolijk, optimistisch. Wil ze wat langer over een antwoord nadenken, dan trekt ze de strengen van haar halsketting strak.

Ze heeft een beproefd recept voor kritiek: ga met je critici praten, luister naar ze, neem hen serieus. De discussie rond het Rotterdamse kunstencentrum Witte de With vindt ze „een ingewikkeld voorbeeld” waar ze lang over heeft nagedacht. Ze weet niet hoe men daar tot de beslissing is gekomen om de naam van de zeeheld dan wel misdadig wrede kapitein volgend jaar van de gevel te halen. Zelf zou ze alle betrokkenen, mensen die aanstoot nemen aan de naam, buurtbewoners, historici bij elkaar aan tafel hebben gezet. „Ga praten. Dan kom je er wel uit.” Ze zou er geen nacht van wakker liggen als scholen of straten met de naam van Jan Pietersz. Coen werden vernoemd – „Maar dan wel met de uitleg erbij: ‘voorheen Jan Pietersz. Coenstraat’.”

Zo gaat het ook bij de bordjes in het museum. „Wij houden al die informatie in ons systeem. Surinaamse wetenschappers zeiden verontwaardigd: nu kunnen we ons onderzoek niet meer doen, wij zoeken altijd op ‘neger’. Maar dat kan prima, alles is er nog. En dat we de aangeboden informatie zouden vervlakken – onzin. Een tekening die ‘Drie negers in een kano’ heette, wordt ‘Drie Ghanezen in een kano’. Dat is juist specifieker.”

Gosselink klikt een plaatje van de zogenoemde Lombok-schat tevoorschijn. Oorlogsbuit, honderden kilo’s goud en sieraden, door Nederlanders met de bajonet vooruit geroofd van de Balinese vorst op Lombok. „Kijk, wat een beauty! Ik kan, ondanks de verschrikkelijke geschiedenis, toch genieten van de schoonheid.”

Hoe de sieraden in de vaste opstelling zijn tentoongesteld, schoot onder meer de Utrechtse historicus Remco Raben in het verkeerde keelgat: het was hem te veel een schat wat hij zag liggen. Gosselink vroeg hem zijn kritiek op te nemen voor een koloniale multimedia tour die bezoekers van het museum kunnen afluisteren.

Ze start de tour en daar horen we de stem van Raben die zegt: „Ik zie die schat als een voorbeeld van koloniaal geweld, en ik zie het ook, zoals het hier is opgesteld, als een voorbeeld van de wijze waarop we onszelf eigenlijk niet precies willen inleven in de Indonesische kant van het verhaal. De Lombok-schat is hier een Nederlandse schat.”

En wat is er verder met zijn kritiek gebeurd? „We hebben hier en daar een tekst aangepast. En overal het woord ‘schat’ tussen aanhalingstekens gezet.” Neemt Gosselink de opmerkingen van critici dan vooral over om hen onschadelijk te maken? „Nee! We gaan niet uit angst iets doen. Dat hoeft ook helemaal niet. Het moet inhoudelijk iets toevoegen.”

Voor ‘Goede Hoop’ wilde het Rijksmuseum per se een paar belangrijke slavernijstukken tentoonstellen, zegt ze. „Die mochten en konden niet ontbreken, slavernij was de olie die de maatschappij liet lopen. Maar de directeur in Zuid-Afrika wilde ze niet uitlenen. Kan zijn dat ze niet met Nederlanders wilde werken. Zuid-Afrikanen die me wel hielpen, moesten zich soms verantwoorden bij hun achterban. We hebben geen idee hoeveel woede er nog heerst, over Nederland. Wij zijn daar de brenger van uitbuiting, racisme en slavernij, de wortel van het kwaad dat apartheid heet.” Drie keer is Gosselink langs geweest. Brieven geschreven. „Pas toen ik de directeur had uitgenodigd om te komen kijken waar we mee bezig waren, kregen we de stukken.”

„In Zuid-Afrika denken ze dat wij in Nederland in de 17de eeuw alleen maar thee dronken met onze pink omhoog en balfeestjes gaven met mooie zijden jurken aan, van het geld dat we in de koloniën hadden verdiend over de ruggen van slaven. Ik leg dan uit: in Nederland hadden we ook het grauw, de broodarme, anonieme, uitgebuite massa, bedelaars en stakkers. Ze hebben geen idee! Hier was ook continu oorlog. Mensen werden aan de galg gebracht, verbrand of gevierendeeld omdat ze anders dachten. De samenleving was extreem gewelddadig. Als ik dat verhaal vertel, gaat daar ook weer een wereld open.”

Koelies? Koelies?

Gosselinks grootouders aan beide kanten komen uit Indonesië. „Mijn ene grootmoeder zat geïnterneerd in Tjideng, een kamp in een wijk in Jakarta. De andere zat in verschillende kampen op Sumatra. De eerste herinnerde zich de jaren in het kamp als bijna de mooiste tijd van haar leven, omdat alles echt was. Echte trouw, echte liefde, echte vriendschap. Ze leefde toen echt. Mijn andere grootmoeder heeft in het kamp enkele kinderen verloren – ze heeft er nooit meer over gesproken. Er is niet één waarheid. Er is niet één geschiedenis. Er is meerstemmigheid.”

In huize Gosselink ging het „alleen maar over de oorlog en over het koloniaal verleden. De klassieke zin ‘de Japanners behandelden ons als koelies’, heb ik mijn grootmoeder letterlijk horen uitspreken. En net zomin als de meeste mensen voelde mijn oma zelf aan dat die zin ook iets zei over de maatschappij die zij mede had vormgegeven. Ik dacht alleen maar: koelies? koelies? Er waren dus kennelijk mensen die voor de Nederlanders ónder hen stonden en als wie ze zich niet wilden laten behandelen: contractarbeiders. Tijdens mijn studie las ik een rijksrapport over de uitbuiting en mishandeling van de koelies. Daar komt het vandaan, mijn belangstelling voor de andere stem.”

Ze denkt dat het schaamte is. „Geen schuld, schaamte. Ik ben niet schuldig aan wat er in het verleden is gebeurd. Twee weken geleden was ik met mijn gezin in Westerbork. Dan lees ik over de Joodse kamparts die voor zijn medegevangenen bepaalde wie wanneer op transport naar de vernietigingskampen moest. Daar loop ik rond met een mengeling van pijn, fascinatie en verbijstering. Hoe hééft dit kunnen gebeuren? Ik voelde schaamte. Dat is een vorm van empathie die mij inzicht kan geven in gebeurtenissen die ik niet heb meegemaakt. Ik vind schaamte een heel waardevolle emotie. Dat is mijn kompas, daar vaar ik op. En op kennis natuurlijk – het moet wel kloppen.”

Erkenning

Na de aankondiging van de slavernij-tentoonstelling stroomden reacties binnen. „Dat we dit vooral wel en dat vooral niet moesten doen. En veel mensen die ons bedankten: eindelijk erkenning. Omdat het wel het Rijksmuseum is hè, dat heeft gewicht.”

Ach, ze weet nu al hoe het zal gaan als de tentoonstelling in 2020 opent. „Dat zullen we nooit voor iedereen goed kunnen doen.” Wat ze wel heeft geleerd van de kritiek op ‘Goede Hoop’: tijdig diversiteit in haar team organiseren. „We hebben nu een senior conservator met Surinaams-Caribische wortels.”

Het Deutsches Historisches Museum organiseerde een tentoonstelling over Kolonialismus – „voor het eerst in Duitsland, heel interessant” – met in zaal 1 een statement in de trant van ‘kolonialisme is een misdaad’. Bedoelt Gosselink dat het Rijks ook zo’n statement zal formuleren voor de slavernij-tentoonstelling?

„Euhm.” Ze trekt aan haar halsketting. „Filmregisseur Steve McQueen deed het ook niet aan het begin van 12 Years a Slave. Ik bedoel: het is zó duidelijk. Laat de feiten voor zich spreken. Die schep er bovenop, die hoef ik niet zo nodig te doen.”

Het museum broedt op een manier waarop mensen hun mening kunnen geven over wat ze op de slavernij-tentoonstelling hebben gezien. „Bijvoorbeeld door hun vragen voor te leggen en dat je aan het eind van de tentoonstelling het antwoord van de bezoekers ziet. Dat je samen iets creëert. Ik zeg maar wat: ‘Moeten alle nazaten van de slavernij schadeloos worden gesteld?’”

Wat ze wel weet: in de slavernij-tentoonstelling zullen de mensen geen ‘slaven’ heten, maar ‘tot slaaf gemaakten’. „Ieder mens wordt als mens geboren, niet als slaaf, ook al was de trans-Atlantische slavernij in feite erfelijk. Mensen werden door het systeem tot slaaf gemaakt, zoals een gevangene gevangen wordt genomen. Tsja, ‘tot slaaf gemaakte’ is wel lelijk. We zouden een woord als ‘geslaafde’ moeten munten.”