Rijksmuseum onderzoekt herkomst koloniale collectie

Studie naar rechtmatige verwerving objecten

Museum wil liever geen voorwerpen meer hebben waarover het zich niet prettig voelt.

Singalees kanon uit de achttiende eeuw. Foto Rijksmuseum

Het Rijksmuseum doet onderzoek naar de herkomst van tien objecten uit de koloniale collectie. Het gaat om een proef die moet uitwijzen of de stukken destijds rechtmatig zijn verworven, zegt Martine Gosselink, hoofd van de afdeling geschiedenis van het museum. Het museum kan zich hiermee op eventuele claims voorbereiden, zegt ze. „Of zelfs proactief voorwerpen teruggeven die niet rechtmatig zijn verworven.”

„Als museum moet je weten wat je in huis hebt en daarover transparant zijn”, zegt Gosselink. Zij bekijkt daarom „of we objecten hebben die eigenlijk niet bij ons horen, of waarvan we het niet prettig vinden dat die bij ons zijn”. De tien objecten voor de proef zijn volgens haar „weloverwogen geselecteerd”.

Ze maakt een vergelijking met de onderzoeken die zijn gedaan naar Joods erfgoed. „Toen was iedereen doodsbang voor een stroom aan claims – en dat viel achteraf reuze mee. Nu wil ik hetzelfde doen voor koloniaal erfgoed. Een aantal stukken is prima en bona fide hier terechtgekomen – betaald, gespaard, geschonken – maar een aantal objecten wellicht niet.”

Lees ook het grote interview met Martine Gosselink: ‘Schaamte is mijn kompas, daar vaar ik op’

Gosselink noemt twee voorbeelden van objecten die onder de loep worden genomen. De diamant van Banjarmasin, ooit van sultan Panembahan Adam van Banjarmasin (Zuid-Borneo). In de museumcatalogus staat: „Nadat er problemen waren ontstaan rond de troonsopvolging besloot Nederland in 1859 het sultanaat van Banjarmasin met geweld in te lijven. De diamant werd tot Nederlands staatsbezit verklaard.”

Een ander object is een Singalees kanon uit de eerste helft van de achttiende eeuw. Daarover staat in de catalogus: „Tijdens een militaire campagne in 1765 maakten de Nederlanders het fraaie kanon buit. Ze schonken het aan stadhouder prins Willem V voor diens rariteitenkabinet in Den Haag.” Gosselink onderstreept dat het onderzoek nog moet plaatsvinden en dat ze dus niet vooruit kan lopen op de uitkomst.