Column

Opstand in filmland

Terwijl de sterren zich laafden aan het flitslicht op de rode loper, daalden iets verderop tientallen jonge filmmakers af in een aardedonker souterrainzaaltje. Een oud krakerscafé, hartje Utrecht. Wietlucht in de gang, plakkerige vloeren. Precies wat je nodig hebt voor zo’n ‘clandestien college’ dat vier sprekers hier komen geven, als alternatieve opening van het Filmfestival. Uit protest. Tegen „het gebrek aan durf bij het Filmfonds en de NPO”. Tegen „risicomijdende romcoms”. Tegen „de Disneyficatie van de kunstwereld”. Om maar wat sprekers te citeren.

Het is allerminst tegen dovemansoren. De wrevel stoomt tegen het plafond tijdens de zaaldiscussie. Sommige filmmakers staan op als ze het woord nemen, luid sprekend, krachtig gebarend.

Je bent geneigd er het eeuwige chagrijn van de verongelijkte kunstenaar in te zien: ík ben briljant, en krijg toch geen geld! Toch gaat het dieper, en verder dan filmland alleen.

Zo kwam beeldend kunstenares Harma Heikens vertellen waarom ze „het bijltje erbij neerlegt”. Haar omstreden werk – sculpturen van meisjes met bomgordels of dildo’s, een brandende Amerikaanse vlag – wordt door de kunstwereld zelf steeds vaker tegengehouden uit „zelfcensuur”. Ooit moest kunst juist schuren, pijn doen. Nu verdedigen kunstinstellingen angstvallig de veilige consensus.

Net als in de filmwereld, denkt Eva Rovers, cultuurwetenschapper. „Filmmakers lijken te vergeten dat ze kunstenaars zijn”, zegt ze. „Dat zijn geen cultureel ondernemers, en ook geen moralisten. De kunstenaar is geen maatschappelijk werker.” Zij ziet meer in wat Camus ‘klaarlicht denken’ noemde: losbreken uit vaste overtuigingen.

Heikens wil niet langer tegen de vertrutting vechten („kunst is geen activisme”). Ze verkoopt haar werk voortaan als Toy Art via internet. Ook in de zaal zoeken sommigen het in de richting van zo’n commerciële marge („Televisie bestaat over vijf jaar toch niet meer”).

Het is ironie waar je niet vrolijk van wordt: ooit beschermden kunstinstellingen tegen de markt. Wordt dat nu omgekeerd? Wel als kunstinstellingen zelf kennelijk niet meer weten wat kunst is: een autonome kracht die zich voor geen enkel ethisch of economisch karretje laat spannen. Vanuit die autonome positie kún je maatschappelijk betrokken zijn – schrijver en mede-initiatiefnemer A.H.J. Dautzenberg pleitte daar voor – maar verplicht is dat allerminst.

Die spagaat tussen autonomie en engagement maakt misschien dat artistiek protest altijd wat halfslachtigs houdt. Al pleegden de sprekers eerder op de avond wel degelijk een echte verzetsdaad: ze gingen een tekst in vlammen projecteren op het Gouden Kalf-beeld op de Neude. Een projector met benzineaggregaat gromde. Ze wierpen hun jassen over de schijnwerpers. Helemaal lukken wilde het niet. De festivalspotlights bleken te fel.

schrijft hier elke vrijdag een column.