‘Kostschool was misschien wel leuker dan thuis’

Familie

Waarom was kostschool voor het ene kind een voorrecht en voor het andere een straf? Zes zussen over heimwee, regels en eindeloos weesgegroetjes bidden.

Sinterklaas in de refter (eetzaal) van het internaat.

Voordat Annie naar kostschool ging, werd ze door moeder meegenomen naar Schagen, naar de winkel van mevrouw Deutekom. Zes handdoeken, twaalf onderbroeken, acht hemden, twaalf zakdoeken, twaalf bandages – voor als je ongesteld was. Na de grote vakantie bracht moeder haar twaalfjarige dochter met één koffertje naar de Zusters van de Voorzienigheid in Steenwijkerwold, 140 kilometer van huis. Ze ziet nog scherp hoe ‘moe’ in haar eentje – ze was een van de eerste vrouwen in de Wieringermeerpolder met een rijbewijs – weer wegtufte in haar donkerrode Taunus. Het mooie kamertje dat Annie bij een eerdere kennismaking was voorgehouden, ging aan haar neus voorbij. Op een grote slaapzaal kreeg ze een chambrette toegewezen, houten schotjes met een gordijn ervoor. Een bed, een nachtkastje, een smal linnenkastje. Ze mocht er haar kruisje en wijwaterbakje ophangen – geen onzedige plaatjes. Die had ze ook niet, ze had niets van zichzelf meegenomen – geen foto’s, geen knuffels, geen boeken. Alle meisjes kregen een nummer, Annie had nummer 209.

Annie (1943) heet nu Annet. Ze zit aan de koffie met kwarktaart, samen met Alie (1946), Trees (1947), Margreet (1950) en Sophie (1952). Zij zijn vijf van de zeven kinderen die naar kostschool zijn geweest, uit een gezin van elf. Annet als eerste van de meisjes, vanaf 1955, Sophie als laatste, tot 1967. De enige broer die ook ging, is overleden, de ontbrekende zus (1945) woont in Canada. Die bel ik later.

We praten over deze tijd omdat donderdag een boek over kostscholen in Nederland is verschenen, Uw wil geschiede, waarin Truska Bast de herinneringen van oud-leerlingen optekent. De twintig kostschoolkinderen die zij sprak, zijn allemaal getekend door die periode, sommigen getraumatiseerd. Gemene deler: emotionele verwaarlozing, het gevoel niet te zijn gezien en gehoord. Sommige van de kinderen in het boek werden misbruikt of mishandeld. De meesten zijn er beschadigd uit gekomen, soms voor het leven.

Vlnr: Trees (1947), Alie (1946), Annet (1943), Sophie (1952) en Margreet (1950) Hakvoort. Foto Roger Cremers

Toen ik het boek las, dacht ik aan mijn moeder, Margreet, die de laatste tijd verhalen over kostschool aan mijn dochters vertelt. Vrolijke verhalen over ondeugende streken en over hoe ze daar verliefd werd op mijn vader. En ik denk aan mijn oma, die zeven kinderen in hun puberteit aan anderen toevertrouwde – en hen dan maanden niet zag of sprak. Ik wil weten wat die periode voor mijn moeder en tantes heeft betekend. Daarover praten we bij Sophie in Hoogkarspel, aan de keukentafel.

Non geschopt

Terwijl de zussen vertellen, wordt er veel gelachen. Ze wisselen anekdotes uit die ze nog nooit van elkaar gehoord hebben. Want dat was ook een gevolg van kostschool: als tieners groeiden ze niet samen op. Pas later zijn hun afzonderlijke jeugdherinneringen aan elkaar gesmeed tot één familiegeschiedenis. Er is al meteen verwarring: had Trees nou wel of niet een non geschopt? Trees weet alleen dat de nonnen haar opstandig vonden. Hoe dan ook werd ze weggestuurd in Steenwijkerwold en moest ze naar de Zusters Franciscanessen in Harlingen. Daarom gingen de zusjes onder haar, Margreet en Sophie, ook naar Harlingen. En daar ontmoette mijn moeder mijn vader. „Dus zonder mij was jij er nooit geweest”, zegt Trees tegen mij.

In Harlingen kreeg je geen nummer, daar mocht je je eigen naam gebruiken. Maar verder valt op dat de herinneringen aan beide kostscholen sterk overeenkomen. Het handenklappen van de zuster die de meisjes om half zeven wekte voor de kapel, het ruisen van het habijt van de zuster die ’s avonds over de zaal liep om te controleren of iedereen wel in bed lag, en of je wel alleen was. Er mocht niemand anders in je chambrette, ook overdag niet, stel je voor dat je lesbisch werd. Het dagelijkse kerkbezoek, het bidden en het biechten, waarbij ze meestal maar wat verzonnen. Alleen Margreet had ooit het lef om te zeggen: „Ik weet echt niks, ik vind dit zo’n onzin!” Het was halverwege de jaren zestig, de kapelaan begreep het wel.

Niet lang daarna sloot het Harlinger meisjespensionaat Sint Anna, net als de meeste andere katholieke kostscholen. Er kwamen steeds minder nonnen en paters, het werd te duur, de gezinnen werden kleiner. En de ideeën over opvoeding veranderden. De katholieke kerk, die – zoals Truska Bast in haar boek beschrijft – de kostscholen zo goed kon gebruiken om haar macht in alle geledingen van de maatschappij te laten gelden, verloor het van de tijdgeest. Alleen zeer moeilijk opvoedbare kinderen en schipperskinderen hoeven nu nog naar een internaat.

Inclusief levertraan

Voor de naoorlogse generatie katholieke kinderen was kostschool een vanzelfsprekendheid. Op het hoogtepunt, begin jaren zestig, waren er in Nederland 321 katholieke internaten, schrijft Bast. Exacte cijfers ontbreken, maar het moeten tienduizenden kinderen zijn geweest die hun puberteit in een internaat doorbrachten.

Ook in de Wieringermeerpolder, waar de zusjes Hakvoort opgroeiden, gingen veel kinderen na de lagere school uit huis. Goede katholieke scholen waren te ver fietsen en kostscholen stonden garant voor goed onderwijs. Het scheelde in die grote gezinnen ook een hoop drukte. Het was niet goedkoop, maar betaalbaar voor de middenklasse. Op een oude nota die Margreet terugvond, staat een bedrag van 457 gulden 65, inclusief kerkgeld, levertraan en handwerken. Voor één trimester, voor haar en Sophie.

Nota voor één trimester in Steenwijkerwold (1959).

Vader Willem Hakvoort boerde kennelijk goed genoeg om zeven kinderen naar kostschool te sturen. „En moe zei altijd, best vooruitstrevend voor die tijd: zorg dat je niet afhankelijk wordt van je man”, zegt Sophie. „Het was een privilege, ja. We mogen er best trots op zijn dat onze ouders dit voor ons over hadden.”

In tegenstelling tot veel van de geïnterviewden in het boek van Bast, hebben deze vijf zussen het hun ouders nooit kwalijk genomen.

„Het is ook maar de vraag of we het thuis zoveel leuker hadden gehad”, zegt Margreet. „We woonden hartstikke geïsoleerd op die boerderij. Het was bekrompen, we gingen écht niet naar de film of shoppen, zoals pubers nu doen. Op kostschool had je vriendinnen, er was dansles of een filmavond, je kreeg een bredere blik op de wereld dan thuis.” De oudste zus, die thuisbleef, heeft het misschien wel zwaarder gehad, realiseren ze zich. Alie: „Zij hielp op de boerderij, zorgde voor de kleintjes, zij heeft thuis heel veel werk verzet.”

En, zeggen ze bij alles, je moet het in de tijd zien. Het kind stond niet zo in het middelpunt als nu. Je was gehoorzaam, voegde je in het grote geheel, stelde geen vragen. Moeite om zich aan te passen hadden ze dus nauwelijks, dat moesten ze thuis ook.

Hun kinderen en kleinkinderen hadden het waarschijnlijk nog geen week uitgehouden: je mocht maar één keer per week in bad. Je zakgeld en je snoep werden ingenomen en op gezette tijden bij een loketje uitgedeeld, tegelijk met „heel zuinig” maandverband, als je dat nodig had. Als je niet kon slapen, mocht je niet lezen, dan ging je maar weesgegroetjes bidden.

Maar hoewel ze het hun smartphoneverslaafde kleinkinderen niet zouden willen aandoen, halen ze er zelf hun schouders over op. Sophie: „Er waren weinig prikkels. Maar niemand had prikkels.” Alie, over die weesgegroetjes: „Het had wel iets van mindfulness.”

„Misschien was het voor kinderen uit kleine gezinnen moeilijker”, zegt Margreet. „Die waren verwend”, zegt Annet.

Afscheid tot Allerheiligen

Je kunt het achteraf wel relativeren, maar dat doet aan de heimwee niets af. Vooral Alie miste thuis verschrikkelijk. Om die reden besloot ze ook niet door te gaan met de kweekschool, zo kon ze een jaar eerder naar huis. Toen haar zoon op kamers ging, kwam het gevoel in alle hevigheid terug. En nog steeds raakt de herinnering haar. „Bij het afscheid moest ik altijd vreselijk huilen. Maar je dorst niet te zeggen dat je niet meer terug wilde.”

Dat afscheid, wisten ze, was voor lang. In Steenwijkerwold duurde het na de zomervakantie het tot Allerheiligen, 1 november, voordat je voor het eerst weer naar huis mocht. En dan weer met Kerst, Pasen en Pinksteren. Er werd niet gebeld, dat wakkerde de heimwee maar aan. Je was blij als je op donderdag een brief van thuis kreeg.

Sinterklaasavond in de refter (eetzaal).
Links: Margreet had eerst een chambrette. Toen Sophie ook op kostschool kwam, kregen ze samen een kamertje. Rechts: Eind jaren zestig kreeg Margreet meer vrijheid haar chambrette zelf in te richten. Onder: de eetzaal in Harlingen.
Links: Margreet had eerst een chambrette. Toen Sophie ook op kostschool kwam, kregen ze samen een kamertje. Rechts: Eind jaren zestig kreeg Margreet meer vrijheid haar chambrette zelf in te richten. Onder: de eetzaal in Harlingen.

Niet dat de anderen geen heimwee hadden. „Ik douwde het gewoon weg”, zegt Trees. Dat je altijd één van de velen was, was voor Trees niet makkelijk. Ze voelde zich vaak buitengesloten, er werd om haar gelachen. De zusters vonden haar lastig. Niemand had zich afgevraagd of er misschien iets mis was met Trees, laat staan dat ze opmerkten dat ze slechthorend was. Pas op haar zeventiende kreeg ze een hoorapparaat.

Trees miste vooral het buiten zijn op de boerderij, de vrijheid. „Op kostschool was het: regels, regels, regels.” Van half zeven ’s ochtends tot het slapengaan om half tien werd je dag door anderen bepaald. En je zat letterlijk opgesloten. Buitenspelen deed je op de ommuurde binnenplaats, bij de uitgang zat een portier. Alleen tijdens de zondagse wandeling kwam je even buiten de poort, altijd met de groep. Twee aan twee, één zuster voor, één zuster achter. „Het stelde niks voor. En toch voelde dat echt als een uitje”, zegt Margreet.

Weesgegroetjes

Alleen tijdens de schoolvakanties was het gezin compleet. De zusjes Hakvoort prijzen zich gelukkig dat ze kennelijk toch zo hecht waren dat ze altijd goed zijn gebleven met elkaar. Misschien heeft dat ook wel gemaakt dat ze het kostschoolleven goed aankonden, thuis wisten ze zich veilig en geborgen.

Misschien is dat ook wel waarom de zus die nu in Canada woont (zij wil niet met haar naam in de krant) haar kostschooltijd juist negatief beoordeelt. „Die hechte band met thuis had ik niet”, zegt ze als ik haar bel. Zij is van alle kinderen het langst van huis geweest, van haar twaalfde tot haar eenentwintigste, en voelde zich steeds verder wegdrijven van haar familie, het dorp, de gemeenschap. „Ik had al een depressieve aanleg. Mijn moeder was een lieve vrouw, maar ik voelde me vaak een buitenbeentje in het gezin. Kostschool versterkte het gevoel dat ik niemand was. Kinderen die stevig in hun schoenen staan, komen er wel doorheen. Maar voor gesloten kinderen was het moeilijk. Er was geen aandacht voor het innerlijk leven. Juist in de periode dat je persoonlijkheid gevormd wordt, kon ik niet zijn wie ik was en dat heeft zich nooit hersteld. Je weet toch dat ik boulimia had? Dat is in die kostschooltijd ontstaan.”

Kostschoolleerlingen verkleed als nonnen (rond één echte zuster) in Harlingen, 1966.

In Uw wil geschiede vertellen oud-leerlingen hoe de nonnen hen dwongen om te eten, tot kokhalzen toe, en hoe vernederend dat voor hen was. De zussen benadrukken allemaal dat zij niet mishandeld zijn. Ook zij moesten alles eten, maar ze voelden het niet als een vernedering. Alie hield niet van bietjes en Annet vond de jus vies. Annet: „Dan schreef moe een brief. ‘Annie eet geen jus.’ Toen moest moe nota bene bij de zusters op het matje komen.” Alie: „Maar ze nam het wél voor ons op, en dat voel je als kind.” Het verschil met de geëmigreerde zus is dat zij die steun niet voelde. „Ik kon er niet over praten met mijn moeder. Ook later niet.”

Seksuele revolutie

Annet begon op kostschool op het hoogtepunt van de sobere, strenge jaren vijftig. Sophie verliet kostschool toen overal in Nederland hippies blowend naar The Doors lagen te luisteren. De maatschappij was radicaal veranderd, maar de meisjes Hakvoort waren in elk geval goed katholiek volwassen geworden. Ze gingen werken, de meesten in verzorgende beroepen, en stichtten gezinnen. De seksuele revolutie lieten ze aan zich voorbijgaan. Sophie: „Moe zei een keer, toen we allemaal keurig voor de kerk getrouwd waren, hoe blij ze was dat geen van onze huwelijken een moetje was geweest.”

Trees kreeg geen kinderen, de anderen waren allemaal blij dat ze hun kinderen thuis hadden in hun puberteit. Ze waren erbij toen hun dochters ongesteld werden, hun kinderen verkering kregen, worstelden met volwassen worden. Ze gaven hun kinderen ook een katholieke opvoeding – maar veel vrijer.

Als je vraagt: wat zijn jullie voor mensen geworden door kostschool, zeggen de vijf zussen aan de keukentafel bijna tegelijk: meegaand. Alie: „Wij zijn meegaande types. We passen ons aan.” Ze waren als pubers niet opstandig en zijn het daarna ook nooit geworden. Kostschool heeft ze geen kwaad gedaan, zeggen ze. Margreet: „Maar soms denk ik wel: wie waren wij geworden als we niet op kostschool hadden gezeten?”