Recensie

Larcenet: het Kwaad verbeeld in streng zwart-wit

De Franse striptekenaar Manu Larcenet baseerde zijn tweeluik ‘Het verslag van Brodeck’ op de roman van Philippe Claudel. Het oogt streng, je mist expressie en emotie.

Manu Larcenet hoort bij de voorhoede van de Franse stripvertellers en bewees dat met series als De dagelijkse worsteling en het melancholische Blast.

Met zijn nieuwe album, uitgegeven als tweeluik, gaat hij een stap verder. Het verslag van Brodeck is een grafische adaptatie van de roman van Philip Claudel uit 2008. Het is een gewaagde keuze vanwege de zware thematiek, door Larcenet vastgelegd in een drukkend relaas.

Het verslag van Brodeck gaat over schuld en schaamte. Larcenet speelt het hard. Zijn tekeningen zijn zwart-wit en compromisloos: het kwaad laat zich niet navertellen in grijstinten.

In een niet nader geduid bergdorp waar een Duits dialect wordt gesproken, zijn overlevenden begonnen met het verwerken van verse oorlogstrauma’s. Dan maakt De Anderer, een zonderlinge vreemdeling, zijn entree. Hij wordt eerst met alle egards ontvangen; men is wel toe aan wat afleiding.

Maar gaandeweg verandert dat. Onder de dorpsbewoners rijzen vragen: is De Anderer gestuurd om hen in de gaten te houden? Argwaan escaleert, de mannen nemen het recht in eigen hand.

De stille en teruggetrokken Brodeck, die nooit echt deel uitmaakte van de gemeenschap, wordt verzocht een verslag te schrijven van de gebeurtenissen die leidden tot de dood van De Anderer.

Het kalme tempo van de enscenering draagt bij aan de benauwende werking van het verhaal. Larcenet doseert precies, om het kwaad alle ruimte te geven.

Zijn tweeluik is ook een parabel over mensen zonder moraal tegen de achtergrond van de Holocaust.

Het tweede boek opent met tekeningen van een kamp, prikkeldraad en uitgemergelde gevangen, maar nergens wordt expliciet dat het de auteur te doen is om nazi’s en de jodenvervolging. Larcenet beeldt de vijandige militairen uit als abstracties; logge schepsels met scherpe tanden en aangelijnde honden met gemuteerde koppen. Alleen hun bedoelingen en uitspraken zijn glashelder en ijzingwekkend. Als ze de dorpelingen verzoeken hun kringen van onzuivere elementen te ontdoen, dragen ze Brodeck aan hen over, omdat hij van buiten komt.

Het penetrante zwart-wit werk van Larcenet, met grove vlakken en weinig woorden, dringt zich door het oblongformaat nog nadrukkelijker op. Nergens is er een lichtpuntje, nergens iets van loutering, behalve de glimlach van Poupchette, het bastaardkind van Brodeck dat in zijn afwezigheid is verwekt.

De vertelling speelt zich af in schaduwen en de personages verstoppen zich achter ruige baarden en onder bontmutsen. Effectief, maar het maskeert ook dat Larcenet moeite heeft om gezichten te laten spreken. De gelaatstrekken zijn hol en identiek; alles heeft dezelfde frons.

Het past wellicht bij de leegte die in de dorpelingen is geslopen, maar voor een verhaal dat de lezer zo heftig confronteert met het zwakke van de mens is de afwezigheid van expressie en emotie in de gezichten toch een gemiste kans.

Manu Larcenet had zijn meedogenloze blik op de ontredderde mens beslist harder kunnen laten aankomen.