Column

Fred

Illustratie Martien ter Veen

Hij heet Fred. Fred Fredje Frederik Freddie Fredmans, voluit. Hoewel mijn dochter er graag geaffecteerd ‘van Snoepie-Verbaan’ achter plakt. Hij is een kat. Dus hij luistert toch niet. Hij reageert eigenlijk alleen op ‘melkje’. Hij is de kat van mijn kat Sasaman (De Kat met de Korte Pootjes), die na het overlijden van zijn levenspartner prof.dr. Laurens weeklagend door zijn kleine universum trok. Om hem op te vrolijken kreeg hij deze kat – die toen nog een kitten was – cadeau. Ze lagen niet direct hele dagen elkaars aarslucht in te ademen, zoals Sasaman en Laurens dat gewoon waren. Maar Fred was klein en interessant en liet zich wassen, een taakje dat maakte dat Sasaman het jeremiëren staakte.

Fred is rood met witte poten, een witte buik en witte eyeliner. Een bekoorlijk wezen met een glanzende vacht. Toen hij nog kitten was, waren zijn ogen en oren buitenproportioneel groot, wat maakte dat ik hem plat wilde knuffelen. Ik heb altijd katten gehad waar iets mis mee was, katten die binnen moesten blijven.

Ik denk dat binnenkatten aanhankelijker zijn. Ze moeten wel. Jij bent het enige dat ze hebben, jij voorziet ze van eten, je speelt met ze. Als ze je zouden doden komen ze nooit meer aan vleesreepjes in saus, dus knuffelen mag na wat plussen en minnen. Die rekensom had Fred nog niet gemaakt. Net als mensenbaby’s had hij geen idee waar hij terechtgekomen was. Hij wilde eten, huisraad kapotmaken, op Sasaman springen, hem omvergooien, melk van een schoteltje drinken, en deed dit alles schreeuwend. Hij wilde eigenlijk tamelijk veel, vond ik, was gezien zijn beperkingen overdréven ambitieus, maar één ding wilde hij niet en dat was knuffelen. Laat dat nou net de methode zijn om blikjes natvoer open te krijgen.

Als ze je zouden doden komen ze nooit meer aan vleesreepjes in saus

Maar net als met mensenbaby’s valt er met kittens niet te praten. ‘Jij moet mij jou laten knuffelen, Fred. Zo werkt het. Er zit niets anders op’, fluisterde ik regelmatig dreigend in zijn oor terwijl ik hem in een houdgreep op mijn schoot gevangen hield. Zodra ik hem losliet, rende hij weg en schudde hij mij van zich af, zo leek het. Alsof hij werkelijk moest bijkomen van diepe gore slijmerige walging. „Is Fred wel een goed idee”, vroeg ik aan mijn meneer B. „Hij is veel te wild voor Sasaman en bovendien wil hij niet knuffelen. Misschien vind ik Fred een beetje stom.” Ik schaamde me direct, ook omdat ik het vooral voor mezelf zei. Ik word geen leuker mens van afwijzing. We gingen het aankijken met Fred. „Als het voor Sasaman niet leuk is moeten we het misschien niet doen.” Fred deed wat hij altijd deed. Ons negeren.

De volgende ochtend echter, trof ik een andere kat. Spinnend sprong hij op bed. Ik mocht hem aanhalen. Goed, hij beet me vrij snel, maar het leek alsof die kleine smiecht zich ergens overheen probeerde te zetten. Sindsdien volgt hij mij waar ik ga. Ik was direct gevleid. Het is uiteindelijk een spel, en ik leek hem gebroken te hebben. Echt knuffelen zat er nog niet in, maar langzaam maar zeker begon hij te snappen dat ik de brokjesdispenser ben. Hij gaat nog weleens naast me zitten op de bank om uit te stralen dat ik hem niet mag aanraken. Maar door de voedermomenten op te rekken heb ik hem nu wel zo ver dat hij zo nu en dan overgave veinst.

Hoewel er nog regelmatig een sinister moordverlangen over zijn poezelige smoelwerk trekt wanneer hij mij met een volgevreten buik van een afstandje gade slaat. Zodra hij gecastreerd is mag hij buitenspelen. En dan maar hopen dat hij tegen die tijd kan plussen en minnen, en dat daar dan uitkomt dat dat smerige mensenmens met de houdgreep de beste brokjes serveert. Ik hou van die rotzak.