Enne Koens laat de pesterij wel heel makkelijk verdwijnen

‘Ik ben Vincent en ik ben niet bang’, het nieuwe kinderboek van Enne Koens is eigenzinnig, maar heeft net niet genoeg eigenheid om volledig te overtuigen.

Het begint als een soort Hoe overleef ik-verhaal – maar dan een graadje tragischer. Vincent wordt zo gepest op school dat hij zich opmaakt voor een ontsnapping. Hij zweert bij de tips in zijn survivalhandboek en verzamelt spullen om van het schoolkamp weg te kunnen glippen en in het bos te overleven.

Een andere uitweg uit die pestellende is er niet, maakt schrijfster Enne Koens wel duidelijk via een ontroerende omweg, namelijk door Vincents verhouding tot zijn oppas te laten zien: ‘Ze zal mijn blauwe plekken tellen en zeggen dat het wel meevalt vandaag, of juist niet, dat het zo echt niet langer kan, dat ze met mijn ouders gaat praten. En ik zal haar overtuigen dat dat geen goed idee is, dat dat alles alleen maar erger maakt.’ Oppas Charlotte wéét van de pesterijen, maar kan er niets tegen doen – met die tragiek zet Koens het leven van haar hoofdpersoon treffend neer, hij wordt direct méér dan een personage, zijn probleem meteen meer dan het standaard-pestverhaal.

Dat belooft dus goeds, voor Ik ben Vincent en ik ben niet bang, het vijfde kinderboek van Enne Koens (1974). Ze geeft haar verhaal bovendien een boeiende literaire injectie, door een veulen, een torretje, een eekhoorn en een worm te introduceren. Vier fantasiediertjes zijn het, die Vincent – als waren ze het spreekwoordelijke engeltje of duiveltje in je hoofd, of een koor uit een Grieks drama – toespreken, bevestigen, tegenspreken.

Dat is eigenzinnig, maar niet genoeg om te voorkomen dat Koens’ nieuwe boek aan hetzelfde euvel lijdt als haar vorige, Hotel Bonbien (2015): haar verhaal heeft net niet genoeg eigenheid om geheel te overtuigen. Hotel Bonbien was goed geschreven, met vaart, humor en een gelaagd beginpunt, maar het leunde ook nog te veel op jeugdliteraire voorbeelden, op het werk van Anna Woltz en Sjoerd Kuyper.

Nu roept ze ook nog Francine Oomen in herinnering, en opnieuw Woltz. In de loop van het verhaal doet namelijk een mondig, eigengereid meisje haar intrede, een typisch Woltz-meisje, dat zich ‘De Jas’ noemt. Zij komt Vincent uit zijn isolement halen. Zo’n personage is leuk, fijn en Vincent gegund natuurlijk, maar in dit verhaal voelt het als een te gemakkelijke lifeline en daarmee als onecht – De Jas heeft vooral een functie, maar een echt mens wil ze maar niet worden.

Koens helpt Vincent uit de put, maar hoe die ontwikkeling precies verloopt, krijgen we maar nauwelijks te zien. Daarin schiet Koens tekort. Eerder had Vincent grote moeite om mensen te vertrouwen, maar met De Jas gaat dat verbazend gemakkelijk – en zijn ouders over de pesterij vertellen, blijkt uiteindelijk ook een horde die ineens wél te nemen is. Als Koens werkelijk gelooft dat het overwinnen van de ellende van pesten zo gemakkelijk is, heeft ze dat in Ik ben Vincent en ik ben niet bang niet weten over te brengen.