Cultuur

Interview

Interview

Foto Merlijn Doomernik

‘‘Zij dronk ranja met een rietje, mijn Sophietje’. Meesterlijk…’

Radiomaker Frits Spits maakte een tweede selectie van zijn favoriete Nederlandse liedjes, die hij ook verbindt met zijn eigen herinneringen. ‘Ongemerkt is het boek de weerslag geworden van wie ik ben.’

Hij blijkt zijn nieuwe boek zelf nog niet gezien te hebben. „Ah, dus dit is het.” Teder laat Frits Spits (69) zijn vingers over de kaft van De standaards van Spits gaan. „Mooi”, zegt hij dan, met een klein hees knikje in zijn stem. „Echt heel mooi.” Het is de oogst van ruim twee jaar hard werken. Elk vrij uurtje heeft hij erin gestoken. „En om het dan ineens als boek in je hand te houden, dat heeft iets heel ontroerends.”

Twee jaar geleden verscheen het eerste deel van De Standaards van Spits; een selectie van 90 Nederlandstalige liedjes die de gelauwerde radiomaker als zijn favoriete nummers beschouwt. Elk liedje werd door Spits zorgvuldig van context voorzien, in een kort pakkend verhaaltje, inclusief vier cd’s waarop vrijwel al die liedjes daadwerkelijk werden meegeleverd. Een snoepwinkeltje voor de liefhebber van het betere Nederlandse lied. Nu is er dit tweede deel, met éénentachtig liedjes, opnieuw zorgvuldig ingeleid en toegelicht door Spits en bijgevoegd op cd. Van Suzanne van Herman van Veen en Big City van Tol Hansse tot Als ze er niet is van De Dijk en Mooi van Maarten van Roozendaal. Wie de hoofdstukjes leest, hóórt de liedjes in zijn hoofd.

Beluister de liedjes uit De Standaards van Spits II op Spotify:

Spits’ stem krijgt iets plechtigs wanneer hij erover praat. Want een liedje is veel méér dan zomaar wat gezongen regels. „Een goed liedje is een roman op zich. In twee regels wordt soms een hele wereld neergezet. ‘Zij dronk ranja met een rietje, mijn Sophietje’. Meesterlijk…. je ziet direct dat beeld voor je van dat meisje op een terras. Het belangrijkste criterium bij mijn keuze was: welke liedjes hebben veel voor mij persoonlijk betekend? Welke zou ik graag willen doorgeven aan een generatie na mij? Het enige uitgangspunt was mijn eigen smaak. En het heeft ook te maken met mijn radiogevoel: ik noem dat de radiomaat. Ik denk altijd aan de mensen voor wie ik het maak: zou ik ze er een plezier mee doen? In mijn poptijd heb ik bijvoorbeeld veel te weinig repertoire van Joost Prinsen gedraaid. Dat páste gewoon niet in De Avondspits. Als ik die liedjes nu hoor denk ik: oh, wat schitterend. Ik ben bij deze keuze veel in conflict gekomen met de Frits Spits die ik vroeger geweest ben.”

Prinsen staat in zijn boek, met het weemoedige Willem Wilmink-liedje De meisjes uit vervlogen dagen. Maar ook onverwachte liedjes als Tante Julia van Nico Haak, Eén kopje koffie van VOF De Kunst en Wasmasjien van Trafassi. „Dit boek is het verhaal van mijn smaak, van hoe ik radio maak en hoe ik tegen het leven aankijk.” Het maakproces was niets minder dan een ontdekkingstocht. „Neem Hoe sterk is de eenzame fietser van Boudewijn de Groot. Ik heb dat altijd als vráág opgevat. Dat blijkt helemaal niet zo te zijn. Of Zing vecht huil bid van Ramses Shaffy. Ik interpreteerde dat als een aansporing. Een beetje zoals in dat liedje van Dirk Witte: Mensch durf te leven. Maar Ramses heeft het helemaal niet tegen zijn publiek, hij spreekt zichzelf toe.’”

Ga jij maar voetballen

Goede liedjes zijn een eenheid van tekst en muziek, zegt Spits. Al durft hij zich over de muzikale kwaliteit niet echt uit te spreken. „Ik heb gevoél voor muziek, maar ik heb er geen verstand van. Ik beschouw het als een heiligdom op zich. Als jongen heb ik een blauwe maandag op blokfluitles gezeten. Die lerares vroeg aan mij: ‘hou jij van voetballen?’. Ik zei: ‘ja mevrouw, heel erg’. ‘Nou’, zei zij, ‘ga dat dan maar gauw doen’. Ik heb dan wel zestig jaar luisterervaring, maar ik kan geen noot lezen. Daarom laat ik daar in het boek anderen over aan het woord. In het verhaal over Avond van Boudewijn de Groot heb ik Ernst Jansz gevraagd uit te leggen wat de compositorische kracht van Boudewijn is. Hij vergelijkt hem met de grootste componisten. Dat mag Ernst zeggen. Ik heb ik op dat vlak geen enkel recht van spreken.”

Ik zou met gemak zo’n heel boek over Boudewijn de Groot kunnen samenstellen. Van hem vind ik bijna alles goed.

Dat Deel 2 van zijn Standaards eigenlijk een tweede keus zou bevatten – waarom stonden ze anders niet in Deel 1? – spreekt Spits tegen. „Ik had een verzameling van zo’n vierhonderd liedjes, die ik het allermooist vind. Daar heb ik twee keer een selectie uit gemaakt. Ik zou er zo nog twee, drie kunnen maken. Ik zou met gemak zo’n heel boek over Boudewijn de Groot kunnen samenstellen. Van hem vind ik bijna alles goed.” En die schat aan favoriete liedjes breidt zich nog steeds uit. Laatst was in zijn wekelijkse radioprogramma De Taalstaat het Belgische duo Kommil Foo te gast. „Ze hebben zo’n schitterende plaat gemaakt. Ik heb mezelf voorgenomen om er tot het eind van het jaar elke week een liedje van te draaien. Maar ja, dit boek was toen al gemaakt.”

Toch zal een Deel 3 van zijn Standaards er vermoedelijk niet komen. Spits zou zich bij een volgende uitgave liever willen concentreren op het oeuvre van één artiest. „Ik zou liedjesbiografieën willen schrijven: dertig liedjes van Paul van Vliet of Henny Vrienten beschrijven. Dat lijkt mij geweldig.’

Of hij kan huilen om een lied? Nou, hij kan er in elk geval tranen van in zijn ogen krijgen. Neem nou Ik drink, van Ramses Shaffy. „Daar zit zo’n verhaal achter, over een man met een mislukte liefde. Je hoort in een paar coupletten een heel leven van gemiste kansen voorbijtrekken. Zo’n liedje dat de essentie van het bestaan weet te raken, ontroert mij enorm. Of neem Moeder, van Alex Roeka. Hij heeft twee keer over zijn moeder gezongen. De eerste keer zet hij haar keihard neer. Je hoort aan alles hoe boos hij op haar is. Jaren later schrijft hij weer over haar, en dan hoor je berouw. De verloren zoon die zijn moeder in zijn armen neemt. Dat komt zó binnen…”

Frits Spits, geboren Frits Ritmeester. „Zo’n liedje dat de essentie van het bestaan weet te raken, ontroert mij enorm.”

Foto Merlijn Doomernik
„Mijn moeder heeft een veel groter verdriet meegemaakt dan ik ooit heb begrepen. Haar ouders zijn allebei vermoord in Auschwitz. Haar leven lang heeft ze dat einde in de gaskamers eigenlijk niet geaccepteerd. ”

Foto Merlijn Doomernik
Foto’s Merlijn Doomernik

Zelf kan hij geen liedjes schrijven. „Het zou pure hovaardij zijn om te denken: dat doe ik wel even”. Zijn moeder deed het wel: ze schreef kinderboeken, maar ook liedteksten (onder meer Ik ben gelukkig zonder jou, vertolkt door Conny Vandenbos.) Daar maakte ze naast de opvoeding van haar vier kinderen altijd tijd voor. „Vaak stond ze al om vier uur ’s morgens op om te schrijven. Op mooie zomerdagen zat ze in alle vroegte buiten, met een blocnote op schoot. Dan vloeiden er prachtige teksten uit haar pen.” Maar dat talent heeft hij dus niet geërfd, stelt hij enigszins spijtig vast. „Mijn moeder schrééf, ik schrijf op. Dat is het verschil. Gepaste bescheidenheid is hier echt op zijn plaats.”

Achter het orgel aan

Zijn oudste herinnering aan een liedje dateert van zijn vierde. „Toen hoorde ik op de radio: Naar de speeltuin. En ik wilde als kind als verjaardagscadeau achter het orgel op straat aan. Dat is ook echt gebeurd. Mijn ouders dachten blijkbaar: „nou ja, als die jongen dat nou zo leuk vindt…”

Frits Ritmeester – zoals zijn werkelijke naam luidt – groeide op in een huis waar vaak naar muziek en altijd naar de radio geluisterd werd. Zijn vader – arts bij Philips – was een liefhebber van Pat Boone en Charles Trenet, zijn moeder draaide bij voorkeur repertoire van Annie M.G. Schmidt. „En Wim Kan natuurlijk. Daar luisterden we met ons hele gezin naar.” Toch ontbreekt Kan in zijn verzameling. Ook diens beklemmende liedje over de Birma-spoorweg, waar hij in de oorlog aan werkte, staat er niet in. Datzelfde geldt voor de geraffineerde liedjes van cabaretier Kees Torn. „Meesterlijke teksten. Maar muzikaal voor mij wat minder interessant.”

Hij zag als jongen van elf Teddy Scholten het Eurovisiesongfestival winnen. ’n Beetje is niet voor niets het beginhoofdstuk van zijn boek. Hij was, schrijft Spits, als jongen verliefd op het zinnetje „dat wordt weer net zoiets als Faust en Greetje”. Dat liedje wilde hij per se zingen voor een meisje uit zijn klas, dat toevallig ook Greetje heette. Die uitvoering werd een fiasco. Maar diezelfde Greetje is inmiddels wel al vijfenveertig jaar zijn vrouw.

In die zin is De Standaards van Spits voor een deel ook te lezen als Spits’ eigen verhaal, en dat van de liedjes die hem door de jaren heen als lichtende bakens begeleidden, en die zijn mooie en verdrietige herinneringen schragen. Sammy, van Ramses Shaffy, doet hem altijd denken aan zijn eigen vader Sam Ritmeester. Helemaal niet omdat de tekst op hem zou slaan. „Hij had niks van Shaffy’s Sammy. Hij liep niet krom, en was helemaal niet dom. Maar toen hij in 1987 vijfenzeventig werd, zongen zijn vrienden een lied voor hem, op de melodie van Sammy. Dat is voor mij daardoor toch onlosmakelijk aan dit nummer verbonden.”

Hij heeft geaarzeld of hij wel zo persoonlijk moest worden als in het hoofdstuk over zijn vader. Maar hij kon niet anders, zegt Spits. „Hij heeft echt een pittig leven geleid. Op 10 januari 1942, toen in Amsterdam de razzia’s volop aan de gang waren, besloot hij als jonge joodse arts met een vriend naar Engeland te vluchten, met als doel om zich aan te sluiten bij de Prinses Irene Brigade. Na een lange, gevaarlijke tocht – via Zwitserland en Spanje – bereikte hij in januari 1944 Engeland, en werd hij Officier van Gezondheid bij die eenheid. Met zijn legeronderdeel maakte hij in 1944 de bevrijding van Zuid-Nederland mee.”

Op de vlucht doodgeschoten

Zijn ouders zijn allang dood. En toch spelen ze nog altijd een grote rol in zijn hoofd. „Mijn moeder heeft een veel groter verdriet meegemaakt dan ik ooit heb begrepen. Dat besef groeit iedere dag dat ik ouder word. Haar ouders zijn allebei vermoord in Auschwitz. Haar leven lang heeft ze dat einde in de gaskamers eigenlijk niet geaccepteerd. Ze verzon er verhalen over. Ze vertelde ons dat mijn grootvader op de vlucht doodgeschoten was. En mijn grootmoeder zou al in Nederland zijn overleden. Allemaal niet waar. In Westerbork heb ik die boeken met transporten bekeken. Ik wilde toch ’ns kijken of mijn familie daarin voorkwam. Ik kwam direct al negen bladzijden ‘Ritmeester’ tegen. En ook pagina’s vol met de familie van mijn moeder. Daar stonden ook de ouders van mijn moeder tussen. Tot dan toe had ik dat nooit geweten. Wel vermoéd, maar ‘weten’ is iets heel anders. Je vraagt als kind niet op dit soort dingen dóór, omdat je voelt dat je je moeder daar veel pijn mee doet.”

Mijn moeder heeft haar ouders zo verschrikkelijk gemist. Iedere avond kuste ze voor het slapengaan hun foto.

Hij heeft haar daarna wel verteld over wat hij in Westerbork ontdekte. „Ze keek me toen heel lang aan, zei geen ‘ja’ of ‘nee’.” Natuurlijk had ik kunnen zeggen: ‘dat klopt dus niet met wat je ons al die jaren vertelde’. Maar ik vond dat mijn moeder recht had op de verhalen die ze erover verzonnen had. Ik gunde haar die eigen afloop. Ze heeft haar ouders zo verschrikkelijk gemist. Iedere avond kuste ze voor het slapengaan hun foto. Ze kon ook zo ineens zeggen: ‘jongen, wat lijk je op je oma’. Nu ik zelf opa ben, snap ik hoe graag ze haar ouders kleinkinderen had gegund. En ons een opa en oma. Achteraf denk ik: ik had er meer over moeten praten met haar. Meer begrip moeten tonen. Dan was ze minder alleen geweest met haar verdriet. Maar ja, je bent in die jaren zo bezig met je eigen leven.”

„Het fantastische is wel dat mijn ouders die oorlog nooit bepalend hebben laten zijn voor het leven van hun kinderen. Ze hebben elkaar in het begin van de oorlog in Amsterdam ontmoet. In Zwitserland zijn ze getrouwd, en na de bevrijding zijn ze in Eindhoven beland. Daar hebben ze op de puinhopen van de oorlog weer een bestaan opgebouwd, kijkend naar de toekomst, niet naar het verleden. Er was geen sprake van omzien in wrok. Integendeel: mijn vader geloofde heilig in een nieuwe wereld. Ik ben eerlijk gezegd heel blij dat hij niet weet dat Engeland binnenkort uit de EU stapt. Dat had hij zo verschrikkelijk gevonden. Hij is in de oorlog in Engeland opgevangen. Alles wat Brits was, vond hij nadien geweldig. Hij reed in Engelse auto’s, rookte Spencer-sigaretten. Dat datzelfde Engeland waar hij zo innig van hield nu uit de EU stapt, had hij niet kunnen verkroppen. Hij zou verbijsterd naar het populisme van vandaag hebben gekeken. ‘Weten ze dan niet wat er gebeurd is? Zien ze de gevaren dan niet?’ Datgene waar mijn vader voor stond, zit ook in mij. Migranten zijn geen nummers, maar mensen. Mijn eigen ouders zijn gevlucht en opgevangen. Daardoor bestá ik.”

Vergeten woorden

Het is altijd een leidraad gebleven in zijn leven. „Ik ben een man van harmonie, niet van conflict. Ik hoop altijd dat het goed zal komen met de wereld. Misschien wel tegen beter weten in.” Of zo’n boek als De Standaards van Spits dan ook bedoeld is als tegengif? „Het is in elk geval bedoeld tegen de disharmonie”, antwoordt Spits. „Omdat liedjes troost geven. Ongemerkt is het boek de weerslag geworden van wie ik ben. Ik vind het fijn om verder te vertellen: moet jij ’ns horen hoe geweldig mooi dit is.”

Hij kan in zijn programma De Taalstaat gelukkig volop putten uit die rijke liedjesschat. Spits verkeert bij hoge uitzondering in de positie dat hij zelf zijn muziek mag uitkiezen. „Anders zou de lol er ook heel snel afgaan.” De rest van de platen die op zijn zender Radio 1 worden gedraaid, wordt centraal uitgekozen. Dat gaat hem als muziekliefhebber zeer aan het hart. „Ik vind dat er bij een programma als Met het Oog op Morgen altijd een muzieksamensteller in de studio moet zijn, die de muziek ter plekke kan aanpassen aan de sfeer van het programma. De muziek op Radio 1 mist vaak elke logica. Op de warmste dag van de zomer hoor ik gewoon California Dreamin’ on such a Winter’s day. Dat bedenkt die computer dan.”

De muziek op Radio 1 mist vaak elke logica. Op de warmste dag van de zomer hoor ik gewoon California Dreamin’ on such a Winter’s day.

Hij is behalve maker ook nog altijd een fervent luisteraar. Al hoort hij vooral zijn eigen zender, Radio 1. 3FM gaat goeddeels aan hem voorbij. En toch gaat de teloorgang van de popzender hem aan het hart. „Ik vind het oprecht jammer wat daar gebeurt. Ik heb een paar keer die Frank van der Lende gehoord. Echt een leuke jongen. Die moet na amper anderhalf jaar opeens naar het weekend. Einde carrière. Zo zonde…”

Spits werkt zelf al dik veertig jaar bij de radio. Maar ‘werk’ is het voor hem nooit geworden. „Ik realiseer me nog steeds hoe mooi het is om dit te mogen doen. Natuurlijk komt er routine bij. Maar je mag je nooit wentelen in de roem van het verleden. Je moet altijd proberen om nieuw te blijven, ten dienste van het programma. Ik heb geen idee of ik het over vijf jaar nog doe. Dan ben ik vijfenzeventig. Maar ik hoop wel dat De Taalstaat er dan nog is.”

Hoe ervaren hij ook is, er gaan nog altijd dingen mis. Maar er zijn af en toe ook uitzendingen waarin alles klopt en naadloos in elkaar past. Dat zijn glorieuze momenten. „Programmageluk” noemt Spits dat zelf. „We hebben in De Taalstaat een onderdeel waarbij luisteraars een vergeten woord adopteren: zoals ‘allengs’, ‘subiet’, ‘deemster’ of ‘panne’. Daar krijgen ze een adoptiebewijs voor, uitgereikt door Nelleke Noordervliet van het Gezelschap voor Geadopteerde Vergeetwoorden. Afgelopen december organiseerden we het Vergeetwoorden Gala. Al die mensen stelden zich die middag voor met hun woord. Dus dan zegt er een mevrouw: ‘goedemiddag, ik ben panne’. Dan gaat mijn hart sneller kloppen. Dat zijn voor mij momenten van groot programmageluk. Daar doé ik het nog steeds voor.”

Op 12 en 13 oktober is er een Standaards van Spits-avond in het Concertgebouw in Amsterdam.