Column

Eberhard at een ijsje

Het is een maand geleden, maar het voelt als een jaar: de burgemeester die nog gewoon op een bankje zat. Nou, gewoon, je kon zien dat hij ziek was. In het podiumlicht van een grote tent op De Parade zag Eberhard van der Laan er bleek uit, doorschijnend bijna. Hij zat op de eerste rij, tussen zijn vrouw en dochtertje en met een kwetsbaar soort intensiteit leek hij álles te horen en te zien. Een beetje alsof hij iedere snipper van wat misschien wel zijn laatste gezellige gezinsuitje was mee naar huis wilde nemen.

Bijna iedereen in de afgeladen tent van het Rondreizend Theaterfestival was jong. De burgemeester in zijn laatste levensfase oogde óók jong, merkwaardig genoeg. Geen uithaal van de zangeres die vlak voor hem een onstuimige performance gaf, Kiki Schippers, ontging hem. Van der Laan bekeek de 29-jarige zangeres met de ontvankelijkheid van een kleuter, groen en nieuwsgierig. Hij kon het niet helemaal plaatsen maar het maakte bijzonder veel indruk: dat idee.

Gelukkig voor Van der Laan stopte Kiki Schippers evenveel in een optreden van twintig minuten waar een ander zeker een uur voor nodig zou hebben. Een stuk of zes liedjes en enkele satirische tekstjes tussendoor, dat kon de gekwelde burgervader nog wel aan. De stevig gebouwde, in een felrood dun jurkje gehulde Schippers schreeuwde en fluisterde, ze grapte en kweelde met alles wat ze had. Als het publiek lachte, lachte Van der Laan voorzichtig mee, zoals hij alles voorzichtig deed, timide, bedekt met een laagje mist. Af en toe keek zijn vrouw vanuit haar ooghoek of alles goed ging. Het ging goed. Ook het dochtertje had plezier. Ze aten ijs.

Na een tijdje leek Van der Laan niet meer door te hebben dat hij nog een half afgeknabbeld hoorntje vasthield. „Geef maar hier”, leek zijn vrouw te zeggen en langzaam maar gedecideerd pakte ze hem het hoorntje af. Er zat eindeloos veel toewijding en begrip in de manier waarop ze het koekrestantje overnam. Kom, Eberhard, ik gooi het wel voor je weg.

Met de vanzelfsprekendheid van een kind liet de burgemeester het toe: fijn dat ze voor me zorgt.

Hij wilde zo lang mogelijk onder de mensen zijn: daarom was hij naar De Parade in het Martin Luther Kingpark gekomen. Dat moet wel. Het kostte veel moeite. Na afloop liep hij naar de uitgang van het festivalterrein, ingeklemd tussen vrouw en dochter. Boven zijn ietwat gebogen rug lichtte zijn witte haar op in het avonddonker. Het was mooi geweest.

Nu, een gevoelsjaar later, is hij te ziek om naar het raam te lopen als een massa Amsterdammers voor zijn ambtswoning staat te klappen. Hoe lang het „E-ber-hard!” ook doorgaat en hoe dankbaar en liefdevol Aan de Amsterdamse grachten woensdagavond wordt gezongen, de uitbehandelde kankerpatiënt brengt dat niet meer op.

Zijn vrouw liet zich nog even met twee van hun drie kinderen zien, en toen ging de deur aan de Herengracht definitief dicht.