De koning van Edo wil zijn paleisschat terug

Erfgoed

Tal van westerse musea hebben kunst in hun collectie die is geroofd uit de toenmalige koloniën. Moeten ze die houden of teruggeven? De paleisschat van Edo illustreert de lastige, moeizame discussie.

Idia, koningin-moeder van Edo. Hanger van gesneden ivoor, 16de eeuw. British Museum

‘Oorlogsbuit’. De tekst in de vitrine windt er geen doekjes om. In deze zaal van het Museum Volkenkunde in Leiden zijn kunstschatten uitgestald die ooit gewapenderhand zijn geroofd uit een koninklijk paleis in West-Afrika. Onder de tekst staan twee foto’s uit 1897. Op een ervan poseren Britse militairen met tropenhelm bij de verzamelde buit, op de andere staat de koning die zojuist gevangen is genomen. De verslagen vorst is de Oba (koning) van het koninkrijk Edo, in wat nu Nigeria is. De uit zijn paleis geroofde schatten, vooral eliteportretten in gegoten messing en gesneden ivoor, zijn nu te bewonderen in Europese en Amerikaanse musea.

Het Museum Volkenkunde in Leiden beschikt met 117 voorwerpen over een aanzienlijk deel van de Britse oorlogsbuit. „We steken de herkomst van deze topstukken niet onder stoelen of banken,” vertelt Annette Schmidt, conservator Afrika. „Het museum heeft ze aan het begin van de vorige eeuw aangekocht via tussenhandelaren in Hamburg en Londen.”

Bij buurvolken – en in 19de-eeuws Europa – heette het rijk Edo ‘Benin’, niet te verwarren met het huidige buurland van Nigeria, voormalig Dahomey. De geroofde paleiskunst is dan ook bekend geworden als de ‘Benin bronzen’. In feite gaat het bij de metalen kunstschatten niet om brons, maar om legeringen van koper, zink en lood, in verschillende verhoudingen.

Museumcollecties zijn vaak publiek eigendom dat niet vervreemd mag worden

Curator Annette Schmidt is al enkele jaren betrokken bij een ‘dialoog’ tussen de Nigeriaanse overheid, het hof in Benin City en Europese musea die beschikken over gestolen hofkunst uit Edo. Aanleiding voor deze ‘Benin Dialogue’ was een moreel appèl in 2007 van koning Erediauwa, de huidige Oba van Edo, om de portretten van zijn voorouders terug te geven.

Dat blijkt nog niet zo eenvoudig. Steeds meer musea in Europa worstelen openlijk met de roofkunstproblematiek, maar er leven alom forse bezwaren tegen teruggave.

De kwestie van de ‘Benin bronzen’ kwam eerder dit jaar in de publiciteit toen studenten van de universiteit van Cambridge eisten dat een messing haan, die al jaren als trofee in de hal van Jesus College prijkt, werd teruggegeven aan Edo. De haan is wijselijk weggehaald uit de hal, maar blijft in Cambridge. En het British Museum, met 700 stukken eigenaar van de grootste collectie ‘bronzen’ uit Edo, neemt weliswaar deel aan de dialoog, maar houdt voet bij stuk dat van teruggave geen sprake kan zijn. Toch komt er volgens recente berichten (The Guardian, 12 augustus) enige beweging in de onderscheiden posities en lijkt een compromis in zicht.

Koningskop van messing, 16de eeuw. Weltmuseum Wien

Penibel probleem

Het touwtrekken om de hofkunst van Edo is één van de vele voorbeelden van een penibel postkoloniaal probleem. Gedurende eeuwen koloniale expansie was sprake van een eenrichtingsverkeer van culturele en historische voorwerpen van de koloniale periferie naar Europa, het toenmalige centrum van de wereldeconomie. Musea in Londen, Parijs, Berlijn, Wenen, Stockholm, Tervuren en Leiden staan vol met schatten die, net als de ‘Benin bronzen’, zijn verworven als oorlogsbuit, die als ‘afgodsbeelden’ in beslag zijn genomen door zendelingen en missionarissen of door handelaren zijn afgetroggeld van de eigenaren. Ex-koloniën maken steeds vaker aanspraak op teruggave van dit cultuurgoed en stuiten dan meestal op koppig verzet. De Nederlandse onderzoeker Jos van Beurden wijdde onlangs zijn dissertatie (Treasures in trusted hands – Negotiating the future of colonial cultural objects, 2017, besproken in deze krant) aan dit ingewikkelde vraagstuk.

In het regenwoud van het huidige Nigeria, westelijk van de rivier de Niger, ontstonden in de Europese Middeleeuwen verschillende gecentraliseerde vorstendommen, de Yoruba-rijken Ife en Oyo en het Edo-rijk Benin. Yoruba en Edo zijn verwante volken – volgens een oorsprongsmythe hebben hun koningen een gemeenschappelijk voorouder – maar ze spreken verschillende talen. De heersende dynastie van Edo/Benin is gesticht in de 14de eeuw door Oba (koning) Eweka I.

De vroegste hofkunst in de geroofde paleiscollectie dateert van de 15de eeuw en geeft dan al blijk van een verbluffend vakmanschap van gieters en ivoorsnijders. Het messing-gieten vond in West-Afrika meer dan 1000 jaar geleden ingang aan koninklijke hoven. De gieters gebruikten een oude techniek die in vakkringen cire perdue (‘verloren was’) heet. Een terugkerend thema is de kop met een kraag van kralensnoeren van Idia, de moeder van Oba Esigie. Die vorst behoedde in de 16de eeuw het rijk voor opstand dankzij de magische krachten van zijn moeder. Daarom creëerde hij een nieuwe waardigheid aan het hof: die van iyoba of koningin-moeder.

De eerste Europeanen die in 1486 voet aan wal zetten in de Bocht van Benin waren Portugezen. Onder de ‘Benin bronzen‘ zijn enkele portretten van Portugese kooplieden. Zij verlegden in de 16de eeuw hun werkterrein naar elders in Afrika en werden in de zeventiende eeuw gevolgd door Nederlandse en Britse slavenhalers. Die werden onder meer van koopwaar voorzien door de vele oorlogen die het rijk Edo heeft gevoerd.

In de loop van de negentiende eeuw kregen de Britten vaste voet aan de kust van het huidige Nigeria. Daar vestigden zij twee ‘protectoraten’ – proto-koloniën – om het moederland te voorzien van de ginds rijkelijk voorhanden palmolie, grondstof voor zeep en smeermiddel voor machines.

Strafexpeditie

Benin behield als laatste koninkrijk in de regio zijn onafhankelijkheid. Maar het monopolie dat de Oba opeiste op handel in en met zijn rijk was de Britten een doorn in het oog. Toen Oba Ovonramwen – hij had in 1888 de troon bestegen – de handel weer eens stillegde naar aanleiding van een Britse inbreuk, reisde in januari 1897 een missie onder leiding van waarnemend consul-generaal James Phillips naar de hoofdstad Benin City. Dit ondanks dringende verzoeken om zijn bezoek uit te stellen in verband met een traditioneel festival – de Oba mocht dan geen vreemdelingen zien. Op 12 januari liep de groep in een hinderlaag van Edo-soldaten, zonder dat de Oba hiertoe opdracht had gegeven. Bijna het voltallige gezelschap, ook Phillips, werd omgebracht. Kort daarop rustten de Britten een ‘strafexpeditie’ uit van 1.500 militairen die op 18 februari in Benin City arriveerde en de stad met de grond gelijk maakte. Oba Ovonramwen werd verbannen en zijn rijk werd onderworpen.

Stafbekroning met mythische vogel. Messing. 18de eeuw. Weltmuseum Wien

Toen Britse soldaten het koninklijk paleis in brand wilden steken, stuitten zij tot hun verbijstering op een enorme schat: enkele duizenden stukken hofkunst, in messing, ivoor en hout. De expeditie had de Britse schatkist veel geld gekost en om die uitgaven te dekken werd deze paleisschat als oorlogsbuit meegenomen en in Londen geveild. Deze openbare verkoop vormde, via tussenhandelaren in etnografica als de Brit W.D. Webster en de Duitser W.F.G. Umlauff, de belangrijkste bron voor museumcollecties van ‘Benin bronzen’, ook die van Leiden.

Sinds de onafhankelijkheid in 1960 zijn er vanuit Nigeria meerdere verzoeken gedaan tot teruggave van Nigeriaanse oudheden. Het begon in 1972 met een officieel verzoek aan de Oostenrijkse ambassadeur in Lagos om te helpen bij de repatriëring van Nigeriaanse kunstschatten in Europese musea. Het Weltmuseum in Wenen beschikt over een indrukwekkende collectie etnografica, waaronder een groot aantal ‘Benin bronzen’. Oostenrijk wees het verzoek af.

Toen het Nationale Museum in Lagos in 1977 het British Museum verzocht om bruikleen van een masker van koningin-moeder Idia (afgebeeld op de cover van deze bijlage) bedong het museum een garantiesom van 2 miljoen pond, wat een onoverkomelijke hindernis bleek te zijn. Later verklaarde het British Museum dat het nooit van plan was geweest het masker uit te lenen. In 1991 verzocht de Oba van Benin Groot-Brittannië voor het eerst om teruggave van de geroofde schatten. Zonder resultaat.

Voorwoord in catalogus

De eerste toenaderingspoging uit de Europese museumwereld in de richting van het hof in Benin City (nu hoofdstad van de Nigeriaanse deelstaat Edo) kwam uit Wenen. In 2007 organiseerde het Weltmuseum samen met het Art Institute of Chicago een grote tentoonstelling van Edo hofkunst onder de titel Benin: Kings and Rituals. De curator Afrika van het Weltmuseum, de antropologe Barbara Plankensteiner, verzocht Oba Erediauwa een voorwoord te schrijven voor de catalogus. Dat deed hij en daarin sprak hij de hoop uit dat ‘enkele van deze voorwerpen’ ooit zouden terugkeren naar voorouderlijke grond. Zijn halfbroer, Edun Agharese Akenzua, sprak bij de opening in Wenen. Zijn aanwezigheid, zei hij, moest worden uitgelegd als een „koninklijk gebaar” en niet „als goedkeuring of legitimering door de Koning van de verwijdering met geweld van de voorwerpen uit zijn paleis”.

De tentoonstelling in Wenen opende deuren. Namens het Weltmuseum begon Plankensteiner met de Nationale Commissie voor Musea en Monumenten (NCMM) van Nigeria een ‘dialoog’ met als inzet „de kunstschatten van het koninkrijk Benin toegankelijk te maken voor het Nigeriaanse publiek”. In een verklaring stelde het museum dat „deze collectie door een koloniale oorlog in de 19de eeuw verspreid is over de wereld, in musea en particuliere verzamelingen, en zo bijna ontoegankelijk is geworden voor een Afrikaans publiek.”

In december 2010 werd een workshop belegd in Wenen, waaraan behalve het Weltmuseum en de NCMM ook andere musea met Benin-collecties deelnamen: het British Museum, het Ethnologishes Museum in Berlijn en het Ethnografiska Museet in Stockholm. Juridische experts uit Oostenrijk en Nigeria zetten daar de standpunten van beide partijen uiteen. Bij de volgende bijeenkomst, in oktober 2011 in Berlijn, sloten ook drie andere Duitse musea en het Museum Volkenkunde in Leiden zich aan bij de dialoog.

Gezamenlijk optreden

Annette Schmidt, de Leidse curator Afrika, vertelt: „Nigeria heeft Leiden nooit formeel om teruggave gevraagd, alleen via informele contacten laten weten dat het daar prijs op zou stellen. Ons museum erkent dat het hier om oorlogsbuit gaat en heeft geen principiële bezwaren tegen teruggave. Maar er zijn meer Europese musea in het spel en wij geven de voorkeur aan gezamenlijk optreden in de dialoog met Nigeria boven eenzijdige actie.”

Staf met hofdignitaris, ivoor, 18de eeuw. Weltmuseum Wien

Ingewijden vertellen dat de grootste weerstand tegen (gedeeltelijke) teruggave van ‘Benin bronzen’ komt uit Londen en Stockholm. Wilhelm Östberg, curator van het Etnografiska Museet, veegde in een recente publicatie de vloer aan met de veiligheid in Nigeriaanse musea. Neil MacGregor, van 2002 tot 2015 directeur van het British Museum, had principiële bezwaren tegen teruggave van welk stuk uit zijn collectie dan ook. Toen Griekenland enkele jaren geleden eiste dat de beeldhouwwerken terug zouden komen die Lord Elgin, toenmalig Brits gezant aan het Ottomaanse hof in Constantinopel, tussen 1801 en 1804 had weggehaald van de Akropolis in Athene, zei MacGregor: „Deze werken behoren toe aan de wereld en het British Museum is het museum van de wereld.”

Het was diezelfde pretentie een ‘universeel museum’ te zijn die MacGregor aanvoerde tegen teruggave van de ‘Benin bronzen’. In Nigeria zou ‘de wereld’ er aanzienlijk minder toegang toe hebben dan in Londen. Afrikaanse critici als Kwame Opoku wijzen er op dat Afrikanen steeds minder welkom zijn in Europa en dat Nigerianen hun eigen erfgoed nauwelijks te zien krijgen.

Het Rijksmuseum doet onderzoek naar de herkomst van tien objecten uit de koloniale collectie. Lees ook dit interview met hoofd geschiedenis Martine Gosselink: ‘Schaamte is mijn kompas, daar vaar ik op’

Nigeria erkent dat teruggave niet op juridische gronden kan worden geclaimd. Er zijn wel juridische obstakels. In de meeste gevallen zijn museumcollecties publiek eigendom dat niet vervreemd mag worden. In Engeland is er zelfs een ‘act of parliament’ vereist om (delen van) collecties terug te geven aan het land van herkomst. Onderzoeker Jos van Beurden, die onlangs promoveerde op het onderwerp: „Het British Museum heeft een Board of Trustees die moet instemmen. Die is tegen teruggave. De Britse minister van Cultuur verschuilt zich vaak achter die Board.”

Curator Schmidt: „Wij hebben de andere dialoogpartijen uitgenodigd voor een volgende gespreksronde in Leiden, in oktober 2018. Er is goede hoop dat we dan overeenstemming zullen bereiken over een compromis: geen teruggave, maar een tentoonstelling in Nigeria, met een keuze uit alle relevante museumcollecties. Hangijzers zijn de verzekering van de betreffende voorwerpen en garanties dat ze niet zullen worden geconfisqueerd tijdens hun verblijf in Nigeria.”

Van Beurden: „Eind vorig jaar noemde de Nigeriaanse jurist Folarin Shyllon, die alle bijeenkomsten heeft bijgewoond, de dialoog mislukt. Het onderwerp teruggave was helemaal verdwenen, zei hij. Na een bijeenkomst in Cambridge begin dit jaar toonde hij zich optimistischer. Daar werd het idee geopperd dat westerse musea objecten laten roteren. Volgend jaar wordt dat plan verder uitgewerkt.”