Opinie

Baas, luister! Zo bespaar je ons een burn-out

Burn-out Hoe zorgen we ervoor dat minder mensen een burn-out krijgen? Bijna 500 lezers reageerden op die vraag. Redacteur las alle reacties en concludeert: we willen meer verantwoordelijkheid, maar minder worden afgerekend. Meer vrijheid, maar geen flexplekken. Wat overheerst is de behoefte aan „liefdevolle aandacht voor wie we zijn en wat we doen”.

‘Loop es een dag de kantjes eraf. De wereld zal niet veranderen.” Dat schrijft Grietzen Hernamdt (56) uit Groningen. „Onthaast. Word vogelaar, wandelaar, plantenkenner. Het is goed zoals het is.” We hoeven niet allemaal plantenkenner te worden. Maar Hernamdt verwoordt wel iets dat breed gevoeld wordt: de druk om te presteren, de lat ligt te hoog, goed is nooit goed genoeg. Als er iets is dat moet veranderen, is dat het. Weg met de prestatiemaatschappij. En als de berg niet naar Mozes komt, maak dan zelf alvast een begin.

Hernamdt is één van de bijna 500 lezers die reageerden op de vraag: hoe zorgen we ervoor dat minder mensen een burn-out krijgen? Noodkreten die recht uit het hart komen, observaties en analyses van mensen die bezorgd zijn over wat de volksziekte van deze tijd lijkt. 53 procent van de mensen die reageerden zeggen zelf een burn-out te hebben (gehad), veel mensen hebben er in hun omgeving mee te maken, en een klein deel van de inzenders zegt er beroepsmatig mee van doen te hebben, als personeelsfunctionaris, psycholoog of coach.

In al die reacties zitten duidelijke overeenkomsten. Om te beginnen voelt u dus druk. Op het werk, waar de taken die tien jaar geleden door vijf mensen werden gedaan, nu door twee mensen verzet moet worden, zoals Anna (52) uit Amersfoort schrijft. Waar alles steeds goedkoper, sneller en efficiënter moet. Waar je „altijd beschikbaar moet zijn en continu beoordeeld wordt”, schrijft een 26-jarige co-assistent die al negen maanden thuiszit. „Mijn eindeloze enthousiasme, gebrek aan inspraak en invloed op de taken en roostering, steeds wisselende stage-omgevingen en de continue prestatiedruk hebben me genekt.”

„Laten we wat harder worden”, zo reageert een man uit Leiden (43) op onze vraag. „De samenleving is zo vervrouwelijkt dat mensen nergens meer tegen kunnen.”

Prestatiedruk is een beest met veel tentakels. Soms zit het simpelweg in te veel werk dat in te weinig tijd af moet. Vaak is het een gevoel, een mentaliteit, een cultuur die maakt dat mensen zich opgejaagd en overvraagd voelen. Waarom is goed niet goed genoeg? Waarom ligt de lat zo hoog? Die vraag wordt herhaaldelijk gesteld. „Er gaat onnodig veel energie zitten in de laatste vijf procent”, relativeert Jos Pas (65) uit Bergeijk. Waarom moet het altijd een 10 zijn?

Wat niet helpt, is dat we die druk ook buiten het werk voelen. „Niet alleen een topbaan, ook een druk sociaal leven met hippe feestjes, een pilletje hier en daar, een hippe partner” – schrijft een 42-jarige Haagse, die inmiddels weet dat je niet alles kunt hebben. FOMO (fear of missing out), keuzestress, en alles raast maar door, 24/7. Dan wijzen de vingers al snel naar ‘de sociale media’, waarop we onszelf voortdurend van onze meest geslaagde kant moeten laten zien. Hoe bied je weerstand als je niet als kind al weerbaar bent gemaakt en hebt geleerd je grenzen aan te geven? „We concurreren elkaar de ellende in”, vindt Jeroen Opstelten (39) uit Tilburg.

Midden op de as van het kwaad staat ‘de manager’. Die weet niets, kan niets, maar vraagt, vinden velen, wel het onmogelijke. Zonder te luisteren naar de ware behoeftes van specialisten, de vakmensen die het werk doen.

Drie taskforces

Maar de vraag was: wat doen we eraan? Voor het antwoord zouden we de inzenders in drie taskforces kunnen verdelen. Taskforce 1: de mens. Taskforce 2: de maatschappij. Taskforce 3: het werk.

„De intuïtie is een godsgeschenk, de ratio een dienaar”, schrijft een anonieme lezer die Einstein citeert. „Willen we een gezond voorbeeld zijn voor onze kinderen en kleinkinderen, moeten we terug naar ons zelf. Gewoon eens even stil worden en je zelf zachtjes wat vragen stellen”, zegt Kattelijn Woutman (38) uit Groningen. „Staar eens een keer rustig voor je uit als je op het perron wacht”, oppert een dertigjarige Hilversumse. En zorg goed voor jezelf: eet gezond, sport, rust. Een gezonde geest huist in een gezond lichaam. Een open deur die, gezien het grote aantal aanbevelingen, kennelijk niet vaak genoeg kan worden ingetrapt.

Je kunt het zo zweverig of praktisch formuleren als je wilt, het komt allemaal neer op: ken uzelf en teach your children. Roos Praaning (68) uit Heemstede stelt voor om bij peuters te beginnen: „onderwijs in relationele vorming, leren over functioneren van lichaam en geest, hoofd en hart.” Wie zijn grenzen kent, zal ongetwijfeld minder moeite hebben met de tip van meneer Van Berk (70) uit Wijchen: durf af en toe te spijbelen, ga tussen de middag een uurtje fietsen.

Het moet een paar mensen van het hart dat we misschien ook eens wat minder moeten ‘zeuren’. „De lat van de frustratietolerantie wordt van jongs af aan te laag gelegd,” vindt Marjolein Vegter (33) uit Bennekom. Of, zoals Rob Stam (67) uit Amsterdam zegt: „Als je tijdens het opgroeien en volwassen worden niet leert om te gaan met teleurstelling als zaken niet gaan zoals je wilt, dan ga je dat ondervinden als je mee gaat doen in de maatschappij. Die is dan onverwacht hard.”

Wat meer „tevredenheid” en „zeer bescheiden verwachtingen van de toekomst” (Buddy Pangemanann, 57, Den Haag) zouden ons misschien wat minder kwetsbaar maken. Een 43-jarige man uit Leiden doet er een schepje bovenop: „Laten we wat harder worden. De samenleving is zo vervrouwelijkt dat mensen nergens meer tegen kunnen.”

De samenleving, dat was de vraag, wat moet daaraan veranderen? Moet die minder ‘vrouwelijk’ worden – wat dat ook moge zijn? De meeste lezers komen met andere oplossingen. Veel genoemd: het basisinkomen. „Zodat mensen niet meer hoeven te werken om te overleven maar vanuit een interne motivatie die zorgt voor zin in werken en daarmee voor zinvol werk,” licht Hans Jeuken (56) uit Utrecht toe. En als dat een brug te ver is, dan toch in elk geval kortere werkweken, kortere werkdagen en betere verlofregelingen. ‘Het Scandinavische model’, noemen veel inzenders dat ideaal, waarbij ervan uitgegaan wordt dat in die landen minder werkuren zorgen voor minder burn-outs.

O, en als we dan toch aan het opruimen zijn: managers en hun Key Performance Indicators mogen ook weg

Onder de inzenders treffen we ook radicalere denkers die – zoals een dertigjarige Utrechtse – herverdeling van bezit voorstellen. Of schaf alle steden af, breng het werk naar de dorpen, zodat we allemaal, als we uitgeslapen zijn, te voet of op de fiets naar ons werk kunnen, suggereert een Leidenaar.

Op de luchtfiets, kun je denken. Maar het beeld refereert wel aan een algemeen gevoel onder de inzenders dat het leven overzichtelijker, eenvoudiger en rustiger moet worden. Vooral in ons werk. Als we ergens aan toe zijn is het rust. Daar kun je zelf iets aan doen, vinden veel lezers. Zet je telefoon uit, mail niet buiten werktijd, neem je werk niet mee naar huis. En mag het op de werkvloer ook wat rustiger? De kantoortuin staat in meerdere reacties synoniem voor het teveel aan prikkels. Dus die moet weg, evenals de flexplek, die geeft alleen maar stress.

NRC zocht met lezers naar oplossingen voor een burn-out. Aandacht werkt. Maar graag pas maandagochtend weer.

O, en als we dan toch aan het opruimen zijn: managers en hun Key Performance Indicators mogen ook weg. Laat vakmensen zichzelf in groepjes organiseren, klinkt het. Saamhorigheid, gedeelde verantwoordelijkheid, hechte verbanden, dat willen we. L.J. Lekkerkerk (58) uit Nijmegen noemt de wijkteams van Buurtzorg als schoolvoorbeeld van ‘verplatting’. „Deel het totaal aan werk zo op dat de kleinste eenheden van de organisatie zo zelfstandig mogelijk een herkenbare bijdrage leveren aan wat de organisatie aan waarde levert. Fabriekjes binnen de fabriek, kantoortjes binnen het kantoor, ziekenhuisjes in het ziekenhuis.” Het scheelt administratie, bureaucratie en vergadertijd. Zodat de essentie van zinvol, prettig werk overblijft. Linda (57) uit Amsterdam verwoordt het met een simpele leidraad: „De goede dingen doen en de dingen goed doen.”

Niet alle wensen zijn even makkelijk te verenigen. We willen meer vrijheid om ons werk flexibel in te delen. Maar dan wel zonder flexplekken en zonder buiten kantoortijden gestoord te worden. We willen meer verantwoordelijkheid, maar minder worden afgerekend. We willen een zinvolle bijdrage leveren, maar dan wel in drie dagen. Dat zou een uitdaging kunnen worden.

Soms zit de oplossing in simpele dingen. Misschien zouden we heel gelukkig kunnen zijn met onze managers in onze kantoortuinen en met onze werkwhatsappgroepen als we wat meer liefdevolle aandacht zouden krijgen voor wie we zijn en wat we doen. Er is geen woord dat vaker voorkwam in de honderden reacties, ruim zeventig keer. Vaak in combinatie met de woorden ‘luisteren’ en ‘waarderen’. „Voor elkaar zorgen in plaats van op elkaar letten”, zegt een 51-jarige Horstenaar.

Niels (40) uit Gouda hield een tijdje een complimentenmap bij. „Als opdrachtgevers iemand in mijn team een compliment gaven, printten we het en stopten het in de map. Als iemand een baaldag of rotproject had en dingen fout deed, schoof ik de map onder zijn neus ter motivatie: we zijn een team, we zijn kundig [...] en na een lastige klus komt er wel weer een leuke. Kijk maar naar het bewijs.” Het werkte. Aandacht dus. Maar graag pas maandagochtend weer.