Opinie

Als Europa bang is om te vechten, kan dit gebeuren

De nieuwe Europese Unie moet tegenspraak niet vrezen maar verwelkomen, schrijft . Dat is een kwestie van lijfsbehoud. „Wat je met kabeljauwquota kunt klaarspelen, lukt niet met asielquota.”

Enerverende jaren beleefde Europa vanaf 2010. Noodgedwongen en improviserend namen Europese leiders zware besluiten. In de eurocrisis draaide het om honderden miljarden belastinggeld. In de Oekraïnecrisis om oorlog en vrede op ons eigen continent. In de vluchtelingenstroom botsten visies op soevereiniteit en solidariteit, identiteit en religie. Europese politiek staat niet langer gelijk aan de Brusselse regelmachine van voorheen, waar vakministers en ambtenaren zich zonder pottenkijkers over olijfolieprijzen of medicijnregels buigen. Nee, hier ontstaat een nieuwe politiek, in het brandende licht van de openbaarheid. Leiders en kiezers ontdekken wat het betekent één munt, één grens, één Unie te delen en tot actief optreden te moeten overgaan.

Deze metamorfose van regelfabriek naar gebeurtenissenpolitiek brengt iets met zich mee: oppositie. Op onverwachte plaatsen en wijzen is ze zichtbaar en hoorbaar ontwaakt. In referenda, in nationale verkiezingen, tijdens pleindemonstraties zeiden mensen luid en duidelijk ‘nee’ of ‘boe!’. De voorlopige apotheose kwam in de adembenemende verkiezingscyclus van de jaren 2016 en 2017, van het Brexit-referendum tot het duel Macron-Le Pen, zondag afgerond met de Duitse verkiezingen.

Door jargon en mistmachines weet het publiek niet wie aan de bal is

De oppositionele tegenstem komt niet enkel voort uit inhoudelijk verzet, maar ook uit argwaan. Wat gebeurt daar allemaal? Wie beslist dat? Op welke grond? Kan het ook anders? Zware besluiten vragen in een democratie om het licht van de openbaarheid, om publieke verantwoording in open debat. Dat druist wel in tegen de Brusselse consensus, waar landen en partijen elkaar achter de schermen weliswaar op de vierkante centimeter het leven zuur maken, maar hun geschillen liefst dempen in technocratische spraak. De succesvolle depolitiseringsrecepten stuiten nu op hun grenzen. Visserijbeleid is iets anders dan migratiebeleid; wat je met kabeljauwquota kunt klaarspelen, lukt niet met asielquota. Niet alle politiek valt eruit te persen.

De nieuwe Europese Unie moet tegenspraak niet vrezen maar verwelkomen. Kwestie van lijfsbehoud. Politicologen onderscheiden ‘klassieke oppositie’, die de regering bestrijdt maar aanvaardt, en ‘principiële oppositie’, die het politiek stelsel als zodanig wil omverwerpen. Het zijn communicerende vaten: hoe minder ruimte voor klassieke oppositie – voor machtswisseling of beleidswijziging via de stembus – hoe meer voor principiële oppositie, voor verzet en opstand. Dit is exact wat de Europese Unie overkwam. Anti-Europese bewegingen als van Le Pen, Wilders en Farage ontlenen hun populariteit aan het feit dat Brussel ervaren wordt als moloch waar niets tegenin te brengen valt, de stoomwals die alles plet. De ultieme consequentie van het gebrek aan oppositie in de EU zagen we bij de Britse stem voor vertrek in juni 2016: zij kozen de uitgang.

Lees ook: voorbij de crisis, het elan is terug in Europa.

Politieke oppositie vervult zeker drie vitale functies. Geweldloze machtsoverdracht per stembus is een eerste. Evenwicht is een volgende: de aanwezigheid van oppositie versterkt de ‘checks and balances’ in een politiek stelsel; ze zet een rem op machtsmisbruik door regering of ambtenarij en vergroot zo rechtsstatelijkheid. De derde functie van oppositie is voor de EU het wezenlijkst: tegenspraak. Met eigen plannen, wetsvoorstellen of toekomstvisies laat de Oppositie zien dat politieke keuzes ook anders kunnen uitvallen. Het is fataal als mensen het idee krijgen dat er niets te kiezen valt, dat het ‘allemaal één pot nat’ is. Oppositionele tegenspraak dwingt de politieke leiding haar besluiten te rechtvaardigen, met een overtuigender verhaal dan ‘There is no alternative’. Zo houdt de Oppositie de openbare ruimte van woord en weerwoord open. Een cruciale democratische functie.

In de Europese Unie is pro forma ruimte voor klassieke oppositie ingebouwd, maar deze klinkt niet door. Praktijken en strategieën van technocratische en procedurele depolitisering – jargon en mistmachines waardoor het publiek niet weet wie aan de bal is – zijn te sterk. Dankzij deze systeemfout kon de principiële oppositie zo sterk worden dat ze – in de oproerige maanden na Brexit en Trump – het voortbestaan van de Unie een moment bedreigde. Kan de Unie ruimte scheppen voor tegenspraak zonder zichzelf te verloochenen? En als dat niet lukt, zal ze een volgende kiezersopstand dan overleven?

Wie ‘oppositie’ zegt denkt allereerst aan een parlement. De EU heeft natuurlijk een Parlement, maar dat ontbeert een regering waartegen het kan opponeren. In Straatsburg hoopt men dat de Commissie in Brussel op een dag de Europese regering wordt, maar vandaag is die dat niet. Wel kent het Parlement, vanouds een bolwerk van consensus, sinds een tiental jaren meer strijd dan voorheen. Typerend genoeg ligt de dragende tegenstelling echter niet tussen links en rechts, maar tussen federalisten en hun gematigd pro-Europese bondgenoten versus eurosceptici. De principiële oppositie had in Straatsburg het hoogste woord, bij monde van FN-voorvrouw Marine Le Pen en UKIP-leider Nigel Farage, beiden Europarlementariërs. Ten parlemente in een politiek vacuüm zocht ze de nationale democratieën op om haar oppositie te vertolken.

Maar onverwacht vormt tegenspraak zich op andere plaatsen. Terwijl de Europese Toppen waar de regeringsleiders samenkomen de laatste jaren regeermacht naar zich toetrokken, heeft de Oppositie daar haar betere aangrijpingspunt gevonden.

Een eclatant voorbeeld komt van de Grieken, toen de linkse regering-Tsipras – in januari 2015 aangetreden – zich realiseerde dat er voor haar geen winst was te behalen op het gebruikelijke veld van de Brusselse compromissenpolitiek. Ze belandde in een ongunstig krachtenveld. Begrijpelijkerwijs wilde Athene losbreken uit de positie van schuldenstaat, in welke hoedanigheid het land jarenlang was vernederd door bankiers-ministers in het gremium ‘Eurogroep’, met het oogmerk weer als ‘gelijke onder gelijken’ politiek te kunnen bedrijven. De flamboyante Varoufakis werd een overmaat aan interviews en publiciteit verweten; laat hem liever thuis de economie hervormen, klonk het. Maar met zijn woordenstroom wilde de minister – heel rationeel – het discours doen kantelen, de spelregels veranderen. Meteen na de Syriza-overwinning van januari 2015 vertrok hij op een Europese toer naar collega’s in Parijs, Londen, Rome en Berlijn. Een uitgekiende omsingelende beweging: twee linkse regeringen voor het ophalen van politieke sympathie, tussendoor de City waar bankiers voor schuldverlichting de duim omhoog staken en tot slot een aanval op de Duitse vesting van de disciplineretoriek. Zelden zag men zulke strijdige vertogen als in de Berlijnse persconferentie van de ministers Schäuble en Varoufakis; „We did not even agree to disagree”, aldus de Griek, de gebruikelijke gemeenplaats voor diplomatieke noodlandingen wegwimpelend. Meegaan met de bezuinigingslogica van zijn schuldeisers betekende voor hem bij voorbaat een nederlaag. Zodoende nam de Syriza-regering haar toevlucht tot buitenstaanders-tactieken om de situatie te draaien: tegenover Griekse financiële schuld zette ze Duitse oorlogsschuld; tegenover hulploket Brussel zocht ze een moment steun in Moskou. Zo ontwikkelde Athene ‘polemische oppositie’ – het deed iets ongekends en bracht de Oppositie naar de Top.

Lees ook onze recensie van het boek van Varoufakis (vijf sterren): Wie is hier nou de echte volwassene in de kamer?

De afgelopen jaren heeft zich een nieuwe, pan-Europese arena gevormd, met zichtbare oppositie. Dankzij het medialicht dat valt op toppen en op andere crisisgremia verwerven dissidente nationale politieke figuren uniewijde herkenbaarheid – niet alleen als drager van hun nationale vlag maar als Europese tegenspreker. Zulke polemische oppositie toont in woord en daad dat de clashes in de Unie niet enkel als land tegen land plaatsvinden maar ook als ‘discours’ tegen ‘discours’.

Vrijwel gelijktijdig met de opflakkerende eurocrisis bond de Hongaarse premier Viktor Orbán de strijd aan met het dominante discours in de vluchtelingencrisis. Ook hij verwoordde zonder schroom een samenhangend alternatief voor de door de Unie ingezette lijn, in dit geval tegen Merkels ‘welkomstcultuur’; tegenover het christelijke motief van de barmhartige Samaritaan plaatste hij het beeld van de kruisridder als verdediger van het Avondland. Ook deze dissident, door velen als een gevaarlijke en onbarmhartige nationalist beschouwd, zocht publieke steun op het terrein van de tegenstander. Memorabel was op 23 september 2015 Orbáns bezoek aan de Beierse CSU-leider Horst Seehofer: deze was even kritisch op Merkels opengrenzenbeleid als zijn gast en wilde, hoewel leider van een regeringspartij, in deze kwestie graag oppositie bedrijven; opgetogen Duitse anti-Merkelbetogers onthaalden de Hongaar als verdediger van de Europese cultuur. Een half jaar later sloeg Orbán een symbolische slag als gast van oud-bondskanselier Helmut Kohl, ereburger van Europa.

Na de dramatische winter met vluchtelingen in de sneeuw ontmoetten de door Merkel en Juncker beleden getuigenisethiek en het door Orbán bepleitte primaat van zelfbescherming elkaar ten slotte: in de door Unie en lidstaten gesloten Turkijedeal van maart 2016, die veel leiders die de bondskanselier niet hardop hadden durven tegenspreken goed uitkwam. In die zin was de Hongaarse premier op dit punt een succesvoller opposant dan zijn Griekse collega.

Lees ook de laatste column van Luuk van Middelaar: „Bidden dat het goed afloopt is geen goed beleid.”

Zowel inzake de munt als de grens richtte de polemische oppositie haar scherpste pijlen op Berlijn – om de sterkste regeermacht van de Unie van binnenuit te bestrijden. Ook dat tekent de hoge inzet van de Duitse Bondsdagverkiezingen van zondag in het Unie-wijde spel om regering en oppositie.

Het fundamentele, lang veronachtzaamde vraagstuk van de Oppositie in de Unie is niet zomaar ‘opgelost’. Maar er zijn denklijnen waarlangs publieke tegenspraak valt te ontwaren én die zich kunnen ontwikkelen. Zolang de regeermacht in de Unie zich zal ontplooien, zal ook de Oppositie nieuwe, of liefst betere wegen vinden haar stem gericht te doen horen. Ze kan de vitale functies van machtswisseling, tegenmacht en tegenspraak in het stelsel van de Unie inbrengen, waardoor het publiek ervaart dat ‘Europa’ niet enkel wordt voortgedreven door technocratische noodzaak maar in laatste instantie het resultaat is van vrije keuzes.

Illustratie Hajo

Hier ligt ook een bijzondere opdracht voor de pers en nieuwe media: ze zijn onmisbaar om die openbaarheid gestalte te geven, politiek en publiek te verbinden. Zij kunnen met verhalen en beelden de publieke ruimtes in de Unie samenbrengen en overspannen – met nationaal schijnwerperlicht op het Europese toneel, met vertalingen van het beste bij de buren, met argwanend spitwerk achter de schermen van oude en Nieuwe Politiek. Zij hebben ons de afgelopen jaren al doen voelen hoe Europa vanwege munt, grens en buren in de vezels van alle nationale politieke lichamen zit, en hoe omgekeerd alle nationale verkiezingen door de hele Unie resoneren. Weliswaar zijn het muren en wetten die een polis stevigheid bieden, schreef Hannah Arendt, maar ook muren en wetten kunnen uiteindelijk niet zonder verhalen, zonder sprekers, tegensprekers en luisteraars die herinneringen onderhouden en toekomstverwachtingen delen. Een politieke gemeenschap is een verhalengemeenschap.

Democratie is niet enkel een besluitvormingsmechanisme maar ook een manier om sociale en politieke conflicten zichtbaar te maken. Oppositie, tegenspraak en dissensus kunnen Europa opnieuw de dynamiek geven waarzonder de gebeurtenissenpolitiek zich niet verder kan ontplooien. Deze ommekeer zal leiden tot een Unie met meer reuring en lawaai, meer drama en strijd – een ontwikkeling die niet zonder risico is. Maar de gekoesterde regelpolitieke consensus van weleer, door meer en meer kiezers niet langer geloofwaardig geacht, schiet hoe dan ook tekort voor een Unie die moet handelen. De verbindende werking van het oneens zijn veronderstelt twee wezenlijke zaken: het zelfvertrouwen dat de Unie tegen een stootje kan én – in lijn met de geest van haar eerste bouwers – de overtuiging dat wat ons als Europeanen op dit continent verenigt groter en sterker is dan wat ons scheidt.