Waarom de hbs beter was dan het gymnasium

Onderwijs

Leerlingen van de hogere burgerschool (hbs) kregen veel meer vakken en hadden veel betere docenten, zeggen de auteurs van het boek Wij van de hbs.

Een leraar voor de klas aan de HBS aan de Waldeck Pyrmontkade in Den Haag, 1920. Collectie Haagse Gemeentearchief

Rapport van een hbs-leerling. Het Utrechts Archief, Haags Gemeentearchief, Nationaal Onderwijsmuseum

De hbs de beste school van Nederland? Veel gymnasiasten storen zich aan de ondertitel van het boek Wij van de hbs, zeggen auteurs Henk Steenhuis en Roelof Bouwman. „Maar de invoering van de hogere burgerschool (afgekort: hbs) heeft een veel groter effect gehad dan die van het gymnasium. De hbs heeft Nederland welvarend gemaakt.”

Steenhuis (63) en Bouwman (51), die beiden niet op de hbs zaten en jaren werkten voor HP/De Tijd, deden anderhalf jaar onderzoek naar de hbs. Toen ze begonnen waren ze sceptisch. „We dachten: al die positieve verhalen, dat zal wel overdreven schoolsentiment zijn”, zegt Bouwman. „Maar op een gegeven moment konden we niet anders dan heel enthousiast worden.”

Er komen nogal wat invloedrijke figuren van de hbs. Oud-premiers (zoals Willem Drees, Wim Kok, Joop den Uyl), ondernemers (Anthony Fokker, Albert Heijn, Freddy Heineken), kunstenaars (Adriaan van Dis, Vincent van Gogh, Annie M.G Schmidt). En de meeste van de negentien Nobelprijswinnaars die Nederland voortbracht. Ook de laatste, scheikundige Ben Feringa, ging naar de hbs.

Wat maakte de hogere burgerschool (hbs) zo goed? Allereerst een groot en breed vakkenpakket. Dat paste bij het verheffingsideaal van Thorbecke, die in 1863 de hbs oprichtte. Jongens uit de burgerij moesten worden voorbereid op werk in ‘de nijvere maatschappij’.

In de drie- of vijfjarige opleiding was, in tegenstelling tot op het gymnasium van destijds, veel aandacht voor exacte vakken. De moderne talen Nederlands, Frans, Engels en Duits waren verplicht. En de hbs voerde het economie-onderwijs in. Je kreeg les in staathuishoudkunde en handelsrekenen. Sommige leerlingen kregen les in wel 35 vakken, zoals plant- en dierkunde, mechanica en kosmografie.

Daarbij werden leraren goed betaald. Veel beter, zegt Bouwman, dan op het gymnasium, zeker in de begintijd. „De beste docenten wilden daarom op de hbs werken. Op elke hbs was wel een rector of leraar die opeens ontslag nam omdat hij werd benoemd tot hoogleraar.”

Examen in Utrecht in 1965.
Gymnastieklokaal in Den Haag.

Er was bovendien, zegt Steenhuis, geen angst om aan elitevorming te doen. De hbs was niet voor iedereen maar voor de beste leerlingen. Wie toegelaten wilde worden, moest op de lagere school een examen doen met vragen als: welke zeeën passeer je als je van Singapore naar Tokio gaat? Je kwam zaterdag om twee uur van school en je had op maandag alweer een proefwerk. Wie het niet kon, moest weg. „Geen pardon. Je hoefde niet aan te komen met een dyslexiekaart.”

Je had als hbs’er niet alleen de beste docenten en het beste vakkenpakket, zegt Bouwman, je ging ook naar het mooiste gebouw. „Soms zat er een botanische tuin bij. Zo’n hbs ging gepaard met trots en mocht iets kosten.”

De Mammoetwet maakte vijftig jaar geleden een einde aan de hbs; de havo en het atheneum kwamen ervoor in de plaats. Dat daarmee de brede basis werd losgelaten, zeggen de auteurs, is een afschuwelijke fout geweest – leerlingen mochten voortaan vakken laten vallen. „Ik had een pretpakket”, zegt Bouwman, die naar de havo ging. „Als ik 2 voor 12 kijk, weet ik op bijna geen enkele vraag het antwoord.”

De Mammoetwet, zegt Steenhuis, zorgde ervoor dat Frans en Duits „net zulke dode talen werden als Grieks en Latijn”. Dat is een ramp, vinden de auteurs. „Frans is eeuwenlang de tweede taal geweest. Als je daarmee stopt, snijd je een deel van ons geheugen af.” En stel dat je psychologie studeert maar Freud niet in de oorspronkelijke taal kunt lezen. „Dat is natuurlijk een enorme achteruitgang.”

Ze zijn zeker niet de eerste die dat zeggen. Toch ligt de boodschap nog gevoelig. „Het is een cultuurstrijd”, zegt Steenhuis. „Er zijn onderwijsdeskundigen die zeggen: het is helemaal niet gezegd dat het niveau naar beneden is gegaan.”

Maar leerlingen leren nu toch andere dingen, zoals burgerschap of Chinees? De vaardigheden van de toekomst, verzucht Steenhuis. „Je herkent onderwijskundigen omdat ze alleen naar de toekomst kijken, ze kijken nooit terug. Ik zeg niet dat je géén Chinees hoeft te leren, maar misschien is het toch handig eerst goed Frans en Duits te leren, de talen van onze buurlanden.”

Het was niet alleen de Mammoetwet waardoor de hbs ten einde kwam, ook de tijdgeest veranderde. Na de oorlog gingen stemmen op dat school niet alleen een plek was voor discipline en kennisoverdracht, maar ook voor zelfontplooiing. En in een tijd van ‘gelijkheidsdenken’ was geen plaats meer voor een oud instituut voor de hoge burgerij.

Het is zinvol om naar het verleden te kijken, zegt Bouwman. Al is het maar omdat onderwijsvernieuwingen sinds de Mammoetwet niet zelden slecht zijn uitgepakt. „If it ain’t broke, don’t fix it, dat is in de onderwijswereld nooit een argument geweest. Kijk naar de hbs, de mulo en de mavo. Er gebeurden prachtige dingen, maar die zijn kapotgemaakt.”