Cultuur

Interview

Interview

Foto's Frank Ruiter

Stripcolumnist Renske de Greef: ‘Ik onderzoek mijn eigen ongemak’

Lunchinterview Renske de Greef probeert goed te doen zonder anderen kwaad te maken. „Ik ben een praktische idealist.”

Thuis is Renske de Greef (33) veganist; geen vlees, geen zuivel en geen eieren. Buitenshuis mag alles. Haar modderprincipe, noemt ze het. Idealistisch, maar niet rigide. Voor de goede zaak eten we nu toch zeewier. Als lunchadres koos ze The Dutch Weed Joint, een vegan-seaweed-fastfood restaurant in Amsterdam. Je kunt ook zeggen: vleesloze snackbar. De ‘hamburgers’ zijn gemaakt van sojasnippers en winterwier, en ‘kibbeling’ is een gefrituurde mix van bonen en micro-algen. Erbij komt friet en mayonaise zonder ei.

Ze bindt haar lange losse haren in een knot, klaar om haar tanden in een dikke burger te zetten. Intiem hoor, zegt ze. „Samen eten. Ik bedoel, je stopt iets in je wijdopen mond. Malen. Smakken. Slikken. En dan al die lichaamssappen.” Ze hapt, haar burger desintegreert, saus en vet druipt langs haar kin. Kauwend maakt ze haar gedachtegang af. „Je ziet elkaar op z’n kwetsbaarst.” Wonderlijk, besluit ze, dat eten zo’n volstrekt geaccepteerde, gezamenlijke bezigheid is.

Bekijk ook Genderneutraal, Renskes stripcolumn van deze week

Menselijk contact dat schuurt en wringt, dat gek is of verbazend, daar verdient ze haar brood mee. Haar eerste columns gingen over seks, toen was ze nog maar negentien. Niks zwoele stukjes of opwindende scènes, wat ze schreef noemt ze eerder „afwindend”. „De eerste zin van mijn eerste stuk luidde: ‘Aangenaam, ik ben een slet’. Een vrouw die er plezier in schept met mannen te slapen is een heikel onderwerp. Nog steeds. Ik schreef over de ongelijke, de politieke, de ongemakkelijke aspecten van seks.” Serieuze kwesties, met humor gebracht.

Inmiddels is elke vorm van sociaal verkeer voor haar een onderwerp. Hoe neem je afscheid op een feestje? Wat gaat er door je hoofd tijdens een massage? Waarom hebben waarschuwingen zo vaak het tegenovergestelde effect (Kinderspeelplaats! Niet blowen!)? En: waarom maakt de geboorte van een kind je helemaal niet nederig? Haar columns voor NRC hebben de vorm van een strip gekregen; tekeningen gecombineerd met handgeschreven teksten. Speels én serieus. Analytisch en soms absurd. Haar stripcolumns zijn nu gebundeld tot een boek, Waarom ik mensen niet in mootjes hak.

„Een aquarium”, roept ze als ik een flesje Helga algendrank in een glas schenk. Groenig vocht met ondefinieerbare vlokjes. Ze begint over de tetravisjes die ze vroeger hield en vraagt of ze een slokje mag proeven. „Best lekker.”

Een schadelijk concept

Ze heeft een jonger broertje en een oudere halfzus. Haar vader is farmacoloog, haar moeder grafisch ontwerper. „Wij konden thuis eindeloos praten over waarom aliens eigenlijk altijd handjes en voetjes hebben.” Thuis vonden ze het grappig, zoals ze als klein meisje dacht en praatte. „Met moeilijke woorden en heel fantasierijk.”

En buitenshuis, vonden ze haar daar ook grappig? Nee, schudt ze. Op de basisschool in Utrecht, waar ze opgroeide, was ze stil en verlegen, en ook toen al ontzettend lang. „Er was één populair meisje dat me aardig vond. Soms fluisterde ik een grapje in haar oor, en als zij dat hardop herhaalde, moest iedereen lachen. Maar de vriendschap was problematisch, omdat ze elke dag weer de afweging maakte of we vriendinnen waren of niet.” En de middelbare school? „Ik zeg: gymles, veel andere mensen, leraren. Ik zag er de voordelen niet zo van.” Ze is, zegt ze, nooit fan geworden van groepen mensen die ze niet zelf heeft uitgekozen. „Je zult op je dertigste gepest worden op je werk. Of op je tachtigste weggekeken in het bejaardenhuis. Dat gebeurt echt, hè.”

One of the guys is een schadelijk concept.

Ze was meer op haar gemak in jongensgezelschap, als one of the guys? Ze aarzelt. „Het meisje dat bier en drugs haalt en ook grove grappen maakt?” Ze ontkent niet dat ze zo’n meisje was (of is), ze zegt wel dat ze moeite heeft met de kwalificatie. „One of the guys is een schadelijk concept. Het is dubbel raar. Want één: je schurkt tegen mannen aan en zegt daarmee dat je hun manier van doen toffer vindt. En je onderscheidt je van andere vrouwen door je eigenschappen toe te eigenen die mannelijk en dús beter zijn.” Haar voorstel is: ophouden mensen en eigenschappen onder te verdelen in sekses. „Het verschil tussen vrouwen onderling is groter dan tussen man en vrouw.”

Doodgeknuppeld debat

Ze is nu twee jaar moeder van Boris. Zij en Sieger (met wie ze onlangs is getrouwd) hebben gekozen voor een mooie naam, zegt ze. Niet per se een meisjesnaam. „Door haar ben ik opnieuw naar de wereld gaan kijken. Naar hoe we kinderen van kleins af aan leren wat hun sekse is en hoe ze zich daarnaar moeten gedragen. Staat ze in d’r blauwe jasje aan de pinautomaat te pielen, dan denken voorbijgangers dat ze een jongetje is en zeggen: ‘Zó, das een lekker technisch ventje.’ Draagt ze een roze jas, dan is het: ‘Lékker shoppen met papa’s pinpas.’ En dan ben je dus acht maanden.” Ze lacht: „Maar ook hier hanteer ik het modderprincipe. Ik doe mijn best stil te staan bij de heimelijke boodschappen die ze meekrijgt. We zeggen niet: hier met die pop, je moet met autootjes spelen. Het lijkt me juist goed als ze de keuze heeft uit allebei.”

Vegan eten, genderneutraal opvoeden, nog nooit een vaste baan gehad. „Ik heb nog nooit een broek aan hoeven trekken om mijn werk te doen. Ik kan het af in een fleece joggingpak.” Begaan met milieu, dierenwelzijn en eerlijke handel. En, ook heel millennial, ze draagt geen spoortje make-up. „Maar dát is gewoon omdat ik er te lui voor ben.” Ze denkt na over wat haar generatie bezighoudt.

„Ik onderzoek mijn eigen ongemak. Hoe kun je op een betere manier omgaan met de wereld, zonder zurig en prekerig te worden?”

Ze komt terug op de intimiteit van het eten. „Wát je eet, is zo persoonlijk en intiem geworden.” De meningen over wat goede voeding is, zijn bijna net zo verdeeld als over het Israëlisch-Palestijnse conflict. „Eten is een behapbare manier om het grote gevaar dat dreigt invoelbaar te maken. Vlees eten staat voor milieurampen, watertekorten, voor het angstige gevoel van ‘we gaan er binnenkort allemaal aan’. Onze hersenen hebben geen gereedschap zoiets groots te bevatten. Dus houden we het simpel en nemen we ons voor geen dieren meer te eten. Maar nog voor je kunt uitleggen waarom je dat doet, beginnen mensen al te roepen: ‘Jaha, ik weet het, ik ben tot op het bot verdorven met m’n biefstukje, ik ben slecht, sorry.’ Je mond wordt gesnoerd voor je hem opendeed, je komt als verliezer uit een doodgeknuppeld debat. Je hebt niks gezegd, en toch ben je een zeikerd.”

Of het nou over babykleertjes, Facebook of sportief autorijden gaat, ze probeert een manier te vinden om „goed te leven en te doen” zonder anderen kwaad te maken. Dat kan alleen, zegt ze, als je het met een „overdosis positivisme” brengt. Net zoals de veganistische snackbar waar we zitten. Die serveert niet zomaar zeewier, maar ‘positive change’. Renske de Greef serveert netelige vraagstukken met humor. Als ze de „rare relatie” belicht die mensen met dieren hebben, zet ze de varkensflat waar biggen nummers zijn tegenover onze huisdieren die we naar de mondhygiënist brengen en een buikwandcorrectie geven. Feminist, veganist, activist? Hoe wil ze zich noemen? „Ik ben een praktische idealist.”

Te goedkoop en te gemakkelijk

Sinds kort is ze is ook een getrouwde vrouw. De bruiloft duurde twee dagen, alles erop en eraan, zij in een witte jurk. Ja, nou ja, zegt ze. „We hadden al een kind samen, en een huis.” En dan: „Waarom stop je je spaargeld in bier en ballonnen? Wij wilden de tijd bevriezen, even stilstaan bij ons leven met vrienden en familie. Het was ontroerend. Alsof je op je eigen begrafenis bent, maar dan leuk.” Verder was er weinig ceremonieels aan hoor, zegt ze. „Eerst leek het me leuk als mijn vader me weggaf. Tot je je realiseert wat dat betekent. Je gaat als bezit van hand tot hand.”

Voor meer stripcolumns van Renske de Greef over (o.a) scheermessen en zebraleed, zie dit NRC-dossier

En dan ineens ferm: „Geen gemeenschap van goederen, maar koude uitsluiting. Niks wat van mij is, is van hem en omgekeerd.” Zo wilden ze het. „Ik wil het eigenaarschap over mijn eigen geld. Ik ben daar trots op.” Zakelijk hoor, prijs ik. „Jaah, ik lepelde alle voorwaarden en bedingen zo op bij de notaris.” Ik zoek naar de ring aan haar vingers. Een dun gouden ringetje met een klein hartje. „Fair mined”, mompelt ze zachtjes. Wat zegt ze? „Het is gemaakt van eerlijk gedolven goud.” Ze zucht: „Als je eenmaal bewust begint te leven…” Vliegreizen, ook zoiets. „Vrienden van ons wonen in Amerika. Binnenkort zijn ze even in Barcelona. Daar ben je zo. En het kost niks.” Maar? „Ik wil dat soort reizen niet meer maken. Het is te goedkoop en te gemakkelijk.” Zegt zij, die de halve wereld bereisde? „Ja, dat is het ingewikkelde.” En dat vliegtuig zit zonder haar ook wel vol, toch? „Mijn vader zegt altijd: andermans vuil is jouw zeepje niet. Als iedereen het doet, betekent dat niet dat ik het ook maar moet doen.”

We bestellen cappuccino, zij met havermelk, ik met soja. Diepe zucht. „Als ik mezelf dit allemaal zo hoor zeggen…” Dan? „Dan zit er iets vervelends aan. Aan mensen die het goede proberen te doen, kleeft iets….”. Superieurs? „Idealisme roept aversie op.” Aan haar de taak het verteerbaar te maken.