NRC checkt: ‘Nederland heeft het op één na laagste percentage eerstejaars bètastudenten van de rijke landen’

Dat staat in een notitie van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (Oeso).

Aankomende eerstejaarsstudenten van de Erasmus Universiteit volgen een college. Foto Jerry Lampen/ANP

De aanleiding

Slechts 18 procent van de Nederlandse studenten in het hoger onderwijs kiest opleidingen in natuurwetenschap, technologie, ingenieursvakken en wiskunde, de zogeheten STEM-vakken. Dat staat in de notitie over Nederland in Education at a Glance (EAG), het internationaal vergelijkende overzicht van het onderwijs van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (Oeso). Uit een begeleidend staatje blijkt dat dit percentage het op één na laagste is van de 34 vergeleken landen. Alleen Turkije scoort lager.

Het EU-gemiddelde ligt op ruim 26 procent. Nederland scoort een stuk lager, en dat terwijl de overheid en het Techniekpact (bedrijfsleven, overheid en onderwijs die een akkoord sloten) grote inspanningen verrichten om meer studenten in bètaopleidingen te krijgen.

Waar is het op gebaseerd?

Op vergelijkend statistisch Oeso-onderzoek. De cijfers worden aangeleverd door de ministeries van onderwijs. De classificatie van wat een STEM-vak is, wordt gebaseerd op de International Standard Classification of Education van VN- organisatie Unesco.

En klopt het?

De percentages van het Nederlandse ministerie van Onderwijs en de onderwijskoepels zijn veel hoger dan die van de Oeso. Aan de universiteiten waren er in 2015 – het jaar van de meting – volgens de cijfers van de onderwijskoepels 27 procent eerstejaars bètastudenten. De hogescholen hebben 24 procent bètastudenten die aan een bachelor beginnen. Voor het hele hoger onderwijs is dat dan 25 procent, iets minder dan het gemiddelde van de Oeso en van de EU-landen, die overigens ook de beginners aan een masteropleiding meetellen.

Volgens minister Bussemaker (Onderwijs, PvdA) hanteert de Oeso een smallere afbakening van bètatechnische opleidingen dan het Nederlandse Techniekpact. De Oeso rekent landbouw en studies op het snijvlak van bèta, zoals de lerarenopleiding, niet mee.

Marie-Helène Doumet, onderzoekster bij de Oeso, bevestigt dat de Oeso-classificatie van bètastudies beperkter is. Net als landbouw en bepaalde lerarenopleidingen worden ook hybride studies – die verscheidene vakken bieden maar meer dan de helft bèta zijn – niet meegeteld, terwijl ze in Nederland als geheel bèta worden gezien. Doumet: „Deze hybride studies vormen een relatief groot aandeel van de programma’s in Nederland.”

Bussemaker vindt die uitgesloten studies juist de sleutel tot het Nederlandse succes. „Volgens de bredere definitie van bètatechniek, die beter past bij de Nederlandse situatie, heeft Nederland meer eerstejaarsstudenten in bètatechnische richtingen dan de genoemde percentages in EAG 2017”, schrijft Bussemaker in een Kamerbrief. „Het aandeel bètatechnische studenten binnen het totaal aantal studenten in het hoger onderwijs is de afgelopen tien jaar flink gestegen.” Dat klopt. Afgaande op de bètadefinitie van het Techniekpact zou het totale aandeel bètatechnische studenten (dus niet alleen eerstejaars) in tien jaar spectaculair zijn gestegen van 21 tot 29 procent. En als Nederland landbouw niet als bètastudie beschouwt, is het aandeel bèta’s onder de eerstejaars nog altijd 22 procent.

Ondanks die groei is er nog steeds een tekort in Nederland aan bèta’s en technici. Slechts een minderheid van de afgestudeerden aan technische universiteiten gaat in de techniek werken. Het lijkt onwaarschijnlijk dat bij afgestudeerden in hybride studies het percentage hoger is.

Conclusie

Onder STEM-studies vallen volgens Nederland meer opleidingen dan volgens de Oeso. Dat verklaart waarom Nederland veel hogere percentages eerstejaarsstudenten in de exacte vakken heeft dan de cijfers die de Oeso vorige week publiceerde. Als de Oeso de ruimere definitie zou hanteren, zouden in de andere landen de bètapercentages ook omhoog gaan. Hoe populair hybride studies in andere landen zijn, is onduidelijk. In de beperkte definitie heeft Nederland, op Turkije na, inderdaad het laagste percentage eerstejaars bètastudenten, maar omdat er verschillende classificaties worden gebruikt, beoordelen we de stelling als grotendeels waar.