Recensie

McBride maakt stiefkindjes van de straat glanzend na

Als je de organisch gevormde gele tribune opklom tot bovenaan, zat je krom tegen het plafond geplakt – een nekhernia in de maak – om te zien wat zich beneden in de arena ontvouwde: een lezing, een performance, een theatervoorstelling, een perspectief op een wereld die je niet kende. Een verdieping hoger in het Rotterdamse kunstcentrum Witte de With was juist het omgekeerde aan de hand. Daar was een aluminium systeemplafond als een gigantisch modernistisch grid tot anderhalve meter boven de vloer gezakt. Ik kroop onder het grid door en stak mijn hoofd tussen de uitsparingen door. Het voelde claustrofobisch. Je kon geen stap meer verzetten, alleen maar kijken naar de andere hoofden van bezoekers die ook hun hoofd boven het grid hadden uitgestoken.

Dat was 1997 en de Amerikaanse kunstenaar Rita McBride (1960), afwisselend wonend in Düsseldorf en Los Angeles, was als een soort jonger zusje van Dan Graham en Gordon Matta Clark de kunstwereld binnengehold met grote stellages en sculpturen die niet alleen een andere betekenis gaven aan de rol van de kunstbeschouwer, maar ook de plek van het museum als white cube ter discussie stelden. Arena en National Chain, zoals McBrides monumentale, ‘gebruikskunstwerken’ heetten, groeiden uit tot de sterren in haar imperium: publiekslievelingen die overal ter wereld zo’n beetje hebben gestaan, behalve in België.

Daarom is het bevreemdend dat juist deze werken ontbreken op de overzichtstentoonstelling van het werk van McBride die op dit moment in het Brusselse Wiels te zien is.

‘Explorer’ heet de tentoonstelling en die naam is afgeleid van het logo van een Ford Explorer: u weet wel, zo’n monster op vier wielen dat vrijheid belooft als het over gravel roads en stoffige prairies rijdt, maar ondertussen toch gewoon muurvast in de file staat. Die tegenstrijdigheid presenteert McBride als een lumineus nieuw inzicht, maar dat is het niet.

Over ontdekken moet deze tentoonstelling dus gaan, en voor dat doel heeft McBride bijna alle white cubes in Wiels gevuld met witgeschilderde houten hekken, zoals we die kennen van weilanden op dure boerderijen in de VS. Deze fonkelnieuwe Guide Rails – opgesteld langs de muren, in kruisvormen en soms zigzaggend door de ruimte – moeten volgens de kunstenaar insluiting symboliseren, afgrenzing, veiligheid en ze moeten ook richting aangeven. Tussen en naast die Guide Rails heeft McBride sculpturen opgesteld die gekopieerd zijn van non-vormen en non-structuren. Haar aandacht gaat, net als toen in Witte de With, uit naar de stiefkindjes op straat: luchtkokers, tribunes, ventilatieschachten, luifels, parkeergarages, dakbedekkingen, telecommunicatiehuisjes, leidingen. Die vormen citeert ze, en giet ze in nieuwe materialen: glanzend laminaat, glas uit Murano, marmer uit Carrara, brons en nog meer. Zo ontstaan serieel geproduceerde vormen die Manager heten, Mae West, Vent (een op ware grootte gereproduceerd luchtafvoerkanaal) en Out West Wagon Wheels. Ze zijn niet functioneel maar doen met hun minimalistische uitstraling vooral esthetisch aan.

En dat maakt dat de gebaren van McBride – ooit zo dapper, ferm en op actie gericht – nu op dit overzicht vooral vermoeid aandoen. Alsof ze zelf ook allang niet meer gelooft in de ‘institutionele kritiek’ die ze zegt te leveren. Alsof ze de ambitie om de toeschouwer te betrekken in haar werk alleen nog maar in woord belijdt. En alsof ze zich verder vooral bezighoudt met het toezicht op de productie van glanzende artefacten die allang niet meer doen wat ze zeggen te doen, en alleen nog maar behagen.