Interview

Peter Vandermeersch: ‘Ik ben Belg en ja, ik wil Nederlander worden’

NRC-hoofdredacteur Peter Vandermeersch bundelde de columns die hij schreef als in Nederland wonende Belg. De Vlaamse journalist Dominique Minten spreekt hem. „Het gezeur is de andere kant van zeer principieel zijn.”

Peter Vandermeersch (56) is op weg helemaal Nederlander te worden. Omdat hij wil kunnen stemmen voor de Tweede Kamer heeft hij de Nederlandse nationaliteit aangevraagd. Daarvoor moet hij zijn Belgische paspoort inleveren en dat vindt hij best een emotionele beslissing. „Het is ook een beetje raar dat mijn ouders plots een Nederlandse zoon krijgen.”

Dat hij deze beslissing na zeven jaar wonen en werken in Nederland genomen heeft, zegt veel over de intense band die hij heeft opgebouwd met zijn nieuwe ‘vaderland’. Het zegt ook iets over de mens Vandermeersch: hij houdt niet van half werk.

Toen hij in de zomer van 2010 afscheid nam van De Standaard en hoofdredacteur van NRC werd, vroeg de krant hem op regelmatige basis zijn mening op te schrijven over het reilen en zeilen bij de noorderburen. De beste columns zijn nu gebundeld in het boek Ik zou zo graag van jullie houden. Een titel die toch enige reserve aangeeft bij dat aanstaande ‘Nederlanderschap’. „Mijn tweede column wilde ik al afsluiten met die zin”, zegt Vandermeersch. „Ik wilde echt van hen houden, maar ze maakten het me verdomd moeilijk. Toen ik voor dit boek de selectie maakte, moest ik concluderen dat eigenlijk alle columns hadden kunnen eindigen met die zin.”

Hij had eerst een andere werktitel in gedachten: ‘het land van wietlucht en spruitjesgeur’. „Nederlanders beweren zo graag van zichzelf dat ze heel tolerant zijn en heel erg naar de buitenwereld kijken. Maar dat durft wel eens tegenvallen. Moeten we nu echt een regeerakkoord schrijven waarin staat dat het Wilhelmus onderwezen moet worden? Of neem Prinsjesdag. Daar blijft toch een rare, carnavaleske sfeer rond hangen die Vlamingen moeilijk kunnen begrijpen.”

Het hele boek ademt die spanning. De Nederlanders wonen in een perfect georganiseerd land, maar bij de kleinste oneffenheid in de weg beginnen ze te klagen en te zeuren. Dat werkt Belgen wel eens op de zenuwen. „Ik kan mij ook ergeren als op vergaderingen doorgeboomd wordt over de kleinste pietluttigheden. Soms kan over de formulering in een verslag een kwartier gedebatteerd worden, terwijl niemand dat later zal lezen. Dan kan ik alleen maar het hoofd schudden.”

Maar, voegt hij eraan toe:

„Dat gezeur is ook de andere kant van zeer principieel zijn. In Vlaanderen worden de zaken dikwijls nooit helemaal uitgediscussieerd. Daar erger ik mij nog meer aan.”

Meer begrip voor kritiek

Nederland is natuurlijk ook écht een beter georganiseerd land. Dat ervaart hij als hij weer eens door de tunnels van Brussel moet rijden en zich in Kinshasa waant. Of als hij wordt geconfronteerd met de Vlaamse administratie. Dan prijst hij zichzelf gelukkig dat hij in Amsterdam mag wonen, al is die stad misschien net iets te keurig en te georganiseerd. „Eigenlijk zou elke Nederlander een tijdje in het buitenland moeten wonen om te beseffen hoe goed hij het hier heeft. Dan zullen ze niet meer klagen over te veel straatlawaai waardoor ze in hartje Amsterdam niet met de ramen open kunnen slapen.”

Dat maakte hij mee op een bewonersvergadering van het appartementsgebouw waarin hij woont. „Dan ontwaar ik weer de ‘kleine’ Nederlander die hunkert naar regels. In België mag het allemaal minder goed geregeld zijn, maar we kunnen wel beter improviseren. En dat bedoel ik in de goede betekenis van het woord.”

Ook bij de tolerantie en de open debatcultuur waarop de Nederlander zich zo graag op laat voorstaan, plaatst Vandermeersch graag kanttekeningen. „Ik hou erg van het debat. Dat staat hier op een hoger niveau dan in Vlaanderen, maar ik heb de kwaliteit ervan de voorbije zeven jaar snel achteruit zien gaan. Er wordt zo slecht naar elkaar geluisterd. Debatteren staat ondertussen gelijk aan elkaar overschreeuwen. Luisteren naar elkaar is er nauwelijks nog bij.”

Hij ergert zich ook aan de selectieve interesse voor de wereld. Die blijft in hoofdzaak beperkt tot de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk. Zelfs op zijn eigen redactie botst hij daarover wel eens. „Als ik zeg dat er in Vlaanderen iets interessants aan de hand is, wordt dat geregeld op schouderophalen onthaald. En wie is de minister-president van Vlaanderen? Sommigen weten het niet, maar erger nog: ze vinden eigenlijk dat ze het niet hoeven te weten. Dat stoort mij echt.”

In België mag het allemaal minder goed geregeld zijn, maar we kunnen wel beter improviseren

Ook de Europese Unie kan de Nederlander maar heel matig boeien. Dat moet de eurofiele Vandermeersch toch storen? Maar over Europa hebben de Nederlanders hem toch aan het denken gezet. „Aanvankelijk keek ik er erg van op dat de commentatoren van mijn krant ernstig debatteerden over de vraag of we niet beter uit de euro zouden moeten stappen. Dan dacht ik: daarover gaan we toch niet beginnen. Maar ik heb meer begrip voor de kritiek op de Europese instellingen. Het afstaan van nationale soevereiniteit, het gebrek aan democratische controle… het zijn belangrijke kwesties waar in België te weinig bij wordt stilgestaan.”

Maar opnieuw blijft hij met een dubbel gevoel achter. „Die eurokritiek past heel erg in een gevoel dat veel Nederlanders graag koesteren: wij met z’n allen gezellig achter de dijken en het heimwee naar een blank Nederland van vadertje Drees die het allemaal voor ons regelde.”

Bijna ondraaglijke gedachte

En dan is er het identiteitsdebat dat in Nederland volop woedt. Hoewel de identiteitsvraag de Vlamingen helemaal niet vreemd is, hebben zij het toch grotendeels achter zich gelaten. In Nederland blijft het maar doorgaan en de migratiecrisis deed het opnieuw in alle hevigheid ontbranden. „Het is natuurlijk allemaal begonnen met Pim Fortuyn. Hij prikte het waanidee door dat Nederland zijn zaken helemaal op orde had en dat het een gidsland was voor de rest van de wereld. Sindsdien blijft de vraag ‘Wie zijn wij?’ hen bezighouden. Want na Fortuyn kwam Máxima. Precies tien jaar geleden gooide zij de knuppel opnieuw in het hoenderhok door te zeggen dat ‘dé Nederlander niet bestaat’.” Vandermeersch lacht. ‘Dé Nederlander bestaat natuurlijk wel als hij in het buitenland is. In een Frans restaurant zal je na één minuut het tafeltje met Nederlanders eruit halen.”

Maar misschien komt het ook omdat Nederland een erg verdeeld land blijft, met een brede kloof tussen de Randstad en de krimpgebieden? Vandermeersch knikt. „En met een heel subtiel en tegelijk heel nadrukkelijke kloof tussen de intellectuele en culturele elite en het gewone volk. De Nederlanders van de schouwburg tegen die van de Toppers. De NPO-kijkers tegen de SBS’ers. Die scheidslijnen lopen hier veel scherper dan in België. Maar je mag dat vooral niet zeggen, want dan voelt die Nederlander zich mislukt in zijn hele grote hang naar gelijkheid. Het idee dat we steeds ongelijker worden, is een bijna ondraaglijke gedachte. Nederland is immers geobsedeerd door het idee dat iedereen gelijk moet zijn.’

Maar of dit debat ooit ergens toe leidt, betwijfelt hij. „En misschien wordt het allemaal te veel uitvergroot. En ik blijf het ook interessant vinden. Het toont heel goed waar dit land mee bezig is: met tolerantie, met respect voor traditie, met je aanpassen aan nieuwe mensen.”

Peter Vandermeersch: Ik zou zo graag van jullie houden.
Uitgeverij Prometheus, 288 blz. € 15,-