Recensie

Gatti draait duimschroeven aan

Met groteske uitvergrotingen gaf het Concertgebouworkest een beklijvende uitvoering van Prokofjevs ‘Vijfde symfonie’. Enescu’s ‘Caprice Roumain’ overtuigde minder door een overdaad aan zigeunerfranje.

Liviu Prunaru, de van origine Roemeense concertmeester van het Concertgebouworkest, breekt graag een lans voor zijn landgenoot George Enescu als hij soleert bij zijn eigen gezelschap. Zette hij in 2013 al eens de Eerste Roemeense rapsodie op het programma, woensdagavond speelde Prunaru de Caprice Roumain.

Enescu was een componist die zich even thuis voelde in de heisa van een Transsylvaanse dorpskroeg als in de kosmopolitische kunstenaarskringen van fin-de-siècle Parijs. Als vermaard vioolvirtuoos wist hij bovendien hoe je een enerverend spektakelstuk voor viool en orkest in elkaar zet.

Niet voor niets spreekt de Caprice bij momenten direct tot het hart dankzij een enerverende mix van folklore, Westers georiënteerde moderniteit en melodische inventiviteit (knap benadrukt door Gatti en de zijnen).

Oost-Europese volksziel

Anderzijds kent de compositie ook passages die blijven steken in larmoyant gesnik, bokkige dansritmes en aanverwante Roemeensigheden.

Eenzelfde ambivalentie kenmerkte de uitvoering. Prunaru zette (van blad) vol in op een gloedvolle vertolking van de Oost-Europese volksziel, met een meeslepend resultaat in onder meer het derde deel. Elders maakte een overdaad aan zigeunerfranje (expressieve glijers, dito raspjes en krasjes, een percussief stuiterende strijkstok) zijn toon bij vlagen troebel en wankel van intonatie.

Sergej Prokofjev wilde met zijn Vijfde symfonie uit 1944 niets minder dan ‘de grootsheid van de menselijke ziel’ verklanken. De tijd was ernaar, gezien de op handen zijnde Sovjet-overwinning op de nazi’s. Niettemin kan een mens zich afvragen of het motto daadwerkelijk voortkwam uit eigen artistieke ambities of eerder het product was van opgedrongen partij-idealen.

Sonore wurggreep

Met groteske uitvergrotingen wisten Gatti en het Concertgebouworkest die dubbele bodem voortdurend voelbaar te maken. Neem de extreme vertragingen aan het slot van het eerste deel, waardoor de muziek leek te stollen in een sonore wurggreep. Getuige ook de verzenuwde fraseringen in het ‘Allegro marcato’, dat Gatti liet ontaarden in de lawaaiige pompositeit van een volksparade. Ook beklijvend: de beklemmend opgepookte eruptie in het derde deel. Het orkest als duimschroef.