Beginnen na 2030 is te laat – en zes andere dingen die de klimaatminister moet weten

Nieuw klimaatbeleidEen nieuwe klimaatminister heeft, als die er komt, nog maar dertien jaar om de grote kentering in gang te zetten.

Foto ANP/Istock, bewerking NRC

2030 moet het keerpunt voor Europa zijn. Dan moet het afscheid van fossiele brandstoffen ongeveer halverwege zijn – althans in de scenario’s die de wereld nog een beetje koel houden. 2030 is ook de eerste Europese mijlpaal voor het klimaatakkoord van Parijs. Een nieuwe klimaatminister, als die er komt, moet beslissingen nemen die de Nederlandse omgang met energie totaal veranderen – in maar dertien jaar. Wat moeten we erover weten? Zeven gele briefjes voor aan het Haagse bureau.

  1. Het moet vóór 2030 gebeuren

    Om op weg te zijn naar een temperatuurstijging die aan het eind van deze eeuw „ruim onder” de 2 graden blijft – het minimale doel van het Parijs-akkoord – is een kentering angstwekkend snel nodig. Volgens een prognose die vorig jaar verscheen in Nature moet op z’n laatst in 2020, over drie jaar dus, de wereldwijde uitstoot van broeikasgassen gaan dalen, om rond 2100 ‘nul op de meter’ te zijn. Pas na 2030 beginnen is te laat.

  2. Europa is niet op weg om ‘Parijs’ te halen

    De EU heeft afgesproken om 40 procent minder broeikasgassen uit te stoten in 2030 dan in 1990. Maar deze en andere afspraken die wereldwijd vanwege het klimaat-akkoord gemaakt zijn, zijn onvoldoende om ‘Parijs’ te halen, bleek uit diezelfde analyse in Nature. „We moeten eerder denken aan 50 à 60 procent vermindering van de Europese uitstoot in 2030”, vertelt mede-auteur Niklas Höhne van de Wageningen Universiteit. Hij maakte recent ook berekeningen voor de EU. „Er zijn allerlei opvattingen over wat een ‘eerlijke bijdrage’ voor Europa is. En volgens bijna al die opvattingen doet Europa te weinig.” De beoogde regeringspartijen D66 en ChristenUnie schaarden zich in januari al achter een initiatief-klimaatwet van PvdA en GroenLinks voor 55 procent reductie in 2030.

  3. Nederland stoot meer CO2 uit dan in 1990

    Je zou het haast vergeten, nu er in elke buurt zonnepanelen op het dak liggen, maar Nederland verstookt meer, niet minder fossiele brandstoffen dan in 1990. De oorzaken: de groei van de bevolking en de economie – en sinds 2011 de energiecentrales. Die draaien vaker op steenkool. De CO2-uitstoot is afgelopen jaar alweer met ruim 1 procent gegroeid. Nederland boekte tot nog toe alleen klimaatwinst door andere broeikasgassen: methaan, lachgas, fluorgassen. De cfk’s verdwenen uit de koelkasten, vuilnisbelten zijn opgeheven, en mest wordt beter verwerkt. Daardoor staat Nederland nu op 11 procent ‘broeikaswinst’ sinds 1990. Maar de rek is er bij de andere gassen uit, en nu komt het op CO2 aan. „Alleen al het EU-doel van 40 procent minder uitstoot in 2030 halen, wordt niet gemakkelijk”, zegt hoofd energie Pieter Boot van het PBL. De prognose in de laatste Nationale Energieverkenning is dat Nederland in 2030 blijft steken rond de 24 procent.

  4. Klimaatminister of programmaminister voor Klimaat: wie dit dossier onder zijn hoede krijgt, moet ‘iedereen laten bewegen’. Lees ook: Vereist: een stevige rug en enthousiasme
  5. Elektriciteit vergroenen levert veel op

    Volgens Pieter Boot is de elektriciteitsvoorziening de sector die „het gemakkelijkst” kan vergroenen. „Van kolen wil je zo snel mogelijk af”, vat hij samen. Nu stoot Nederland jaarlijks 197 megaton (miljard kilo) broeikasgassen uit. Dat moeten er 78 à 97 minder zijn in 2030, om op koers voor Parijs te komen. Het PBL maakte dit jaar een overzicht van waar de megatonnen te halen zijn. Met elektriciteit zijn twee grote klappers te maken: wind op zee (tot 20 megaton winst), en stoppen met steenkool in energiecentrales (tot 13 megaton). De pijn zit bij de kolencentrales – sluiting of ombouwen gaat óf de centrales veel geld kosten, of de Nederlandse staat. Directeur Olof van der Gaag van de Nederlandse Vereniging voor Duurzame Energie (NVDE), die zo’n duizend bedrijven vertegenwoordigt, vindt dat de twee oude kolencentrales op kosten van de staat gesloten moeten worden, of omgebouwd tot biomassa-centrale (die loopt op hout en planten). „En van de drie pas gebouwde kolencentrales kun je eisen dat ze even weinig CO2 uitstoten als moderne gascentrales. Nu is het twee keer zoveel.” De benodigde aanpassingen zijn zo duur dat de kolencentrales uit de markt gedrukt worden, denkt Van der Gaag. „Dan wordt er kapitaal vernietigd, ja. Maar nu staan gascentrales vaak uit. Daar wordt ook kapitaal vernietigd.”

  6. Industrie vergroenen is goedkoop

    Om nog even in megatonnen te denken: de hoogovens van Tata Steel zijn in hun eentje goed voor 6,2 megaton per jaar. Ook raffinaderijen en grote chemische industrieën zitten elk op 1 à 4 megaton. Al met al komt driekwart van de uitstoot van de Nederlandse industrie van slechts twaalf bedrijven. „Het is heel overzichtelijk”, zegt Olof Van der Gaag van de Nederlandse Vereniging Duurzame Energie. „En misschien is het ook de goedkoopste sector om te verduurzamen.” Het PBL beschrijft het als „relatief veel besparingspotentieel tegen relatief lage kosten”. Als zo’n fabriek een technische aanpassing doet, scheelt het meteen veel, én deels verdient het zichzelf terug. Aanpassingen aan woningen en kantoren – de ‘gebouwde omgeving’ – zijn juist duur.Dat zou sneller gaan als de Europese CO2-prijs veel hoger lag dan de 5 euro per ton van nu, maar dat ziet niemand gebeuren. Twee opties liggen voor de hand: in Nederland of Noordwest-Europa een veel hogere prijs afspreken. En een aanvullende subsidiepot voor de industrie, suggereert Van der Gaag. „Er zijn nu wel subsidies voor omschakeling op groene energie, maar niet voor energiebesparing en voor ondergrondse CO2-opslag bij industrieën.”

  7. Zonder ondergrondse koolstofopslag gaat het niet

    „CO2-opslag is een beetje alsof je alles snel onder het tapijt veegt”, zegt Van der Gaag. Toch pleit hij voor subsidie voor CO2-opslag bij industrieën. Veel zware industrieën, zoals hoogovens, kunnen technisch nog niet zonder fossiele brandstof (bij hoogovens bijvoorbeeld geeft alleen steenkool genoeg hitte). Die blijven dus CO2 uitstoten. Pieter Boot van het PBL: „Er komt in Nederland beperkt ruimte vrij voor ondergrondse CO2-opslag. Die kun je dus het best inzetten voor de industrie, want zij heeft geen alternatief.” Er is maatschappelijke weerstand tegen CO2-opslag. Niklas Höhne rekende vorig jaar uit, in opdracht van Greenpeace, dat de omslag naar duurzame energie ook zonder koolstofopslag voltooid kan worden. Maar: dan moeten de Nederlandse energiesector én de industrie al in 2035 nul broeikasgas uitstoten. Höhne: „Het laat zien dat je, als je geen CO2-opslag toestaat, uitkomt bij hele, hele krappe uitstoot-doelen.” Pieter Boot noemt de analyse „onzinnig”.

  8. De omslag levert banen op

    Tot 2030 komen er in Nederland netto 50.000 banen bij door de overgang op hernieuwbare energie, en dat levert 1 procent groei op van het bbp. Dat voorspellen economen van TNO in een studie die vorige week verscheen. Vooral de bouw en dienstensector zullen mensen nodig hebben, en dan vooral rond wind en zon. Die groei van de werkgelegenheid overstijgt ruimschoots het banenverlies van duizenden banen in de gassector. McKinsey kwam vorig jaar met vergelijkbare getallen: „op korte termijn” tussen 2020 en 2040 minimaal 45.000 banen in de installatie, en 2 procent bbp-groei. Het kan innovatie bevorderen – denk aan raamfolie die zonne-energie opwekt, of betere laadpalen. En er zullen veel installateurs nodig zijn. Olof van der Gaag: „We hebben straks een tekort aan slimme loodgieters.”