Recensie

Wulps geworden ijzervreter

Tentoonstelling Carel Visser kon ijzer kwetsbaar maken. De beeldhouwer verdient meer dan een kleine expositie in Kröller-Müller.

Carel Visser, Stervend paard, 1949 Foto Museum Kröller-Müller/ Pictoright

Wulps – ineens zie ik waarom ik het werk van de Nederlandse kunstenaar Carel Visser zo geweldig vind: omdat het zo wulps is. Speels zijn Vissers beelden, licht, vrij, bijna wuft. Maar daar ligt misschien ook wel het probleem van zijn oeuvre. Want wie Carel Visser zegt, denkt meteen aan de grote, bonkige beeldhouwer met de oer-Hollandse naam, die een groot deel van zijn leven werkte in een Frans atelier dat het midden hield tussen een boerenschuur en Malle Pietje-hok. Een wat norsige boer zagen we steevast op foto’s, staand tussen een enorme opeenstapeling van oude auto’s, stukken metaal, vervallen stoelen en rondslingerende touwen – een ouderwetse ijzervreter die groot werd in het tijdperk van kunstenaars als Dibbets, Van Elk en Verhoef.

Zijn werk werd altijd beoordeeld volgens hún criteria: kracht, modernisme, formaat, af en toe een geintje. Visser mocht dan een van de grootste Nederlandse beeldhouwers van de twintigste eeuw zijn, toch was het de laatste tien, vijftien jaar héél stil rond zijn werk. Geen grote tentoonstellingen, geen eerbetonen. Zelfs geen serieus Carel Visser-overzichtsboek. Hoe kan dat toch?

Carel Visser, Springend, 1982 Foto R. Klein Gotink

Stervend paard

Om die vraag beter te begrijpen ging ik onmiddellijk kijken toen ik hoorde dat het Kröller-Müller Museum een kleine expositie van zijn werk had ingericht. Op die tentoonstelling is van alles aan te merken (dat komt zo) maar al na anderhalve zaal wist ik wel meteen weer waarom ik zo van Visser houd. Het eerste grote werk op de expositie is zijn beroemde Stervend paard (1949) – een beeld dat hij op zijn eenentwintigste (!) vervaardigde en dat nog niets aan kracht heeft ingeboet. Natuurlijk, het beest ziet eruit alsof het zo van Picasso’s Guernica is af gestapt en het doet ook onmiskenbaar denken aan Giacometti’s klassieker Woman with her Throat Cut (1932) – maar doe het maar eens, op die leeftijd: een beeld maken waarin je Picasso’s wanhopige platte paard de ruimte schenkt en tegelijk een van de grootste beeldhouwers van de twintigste eeuw naar de kroon steekt. Tegelijk is Vissers paard ook eigen, omdat het de ruimte om zich heen zo ongegeneerd opeist: plat op de grond gedrukt, grijpt het als een platgeslagen spin om zich heen, de poten geknakt, de rug gebroken, terwijl het nadrukkelijk aanwezige ijzer je tegelijk doet beseffen dat die kwetsbaarheid helemaal niet kán – en toch gaat die niet weg.

Stervend paard onderscheidt zich eigenlijk alleen van Vissers latere werk door de ernst van de jeugd – maar dat verandert snel. Eerst gaat Visser, geheel volgens de tijdgeest, beelden maken waarin hij de abstractie zoekt in het alledaagse: beelden van geabstraheerde dieren, van ‘trapvormen’ die in een gapende leegte eindigen. Daarna stort hij zich steeds meer op de dubbelzinnige betekenis van geometrische vormen. Neem Gat (1966): een vierkant dat uit vier aaneengelaste rechte balken bestaat, waarvan de verticalen echter in vier rechte blokken uiteen zijn getrokken – alsof het vierkant zó staat te trillen dat de staanders bezwijken.

Carel Visser, Dora op de vlucht, 1983 Foto R. Klein Gotink

Hoe goed Visser wordt in het oproepen van die spanning tussen vorm, materiaal en speelse associaties is te zien in Boek (1972) – waarvan alleen de titel een misser is. Want het beeld is juist zo goed dat het veel meer is. Boek bestaat uit vier rechthoekige stukken plaatstaal die Visser heeft gevouwen in verschillende hoeken, zo dat ze, inderdaad, zouden kunnen lijken op de pagina’s van een boek. Het zijn ook gewoon vier rechthoekige platen staal die zich bijna wellustig in de ronding van elkaars buiging vlijen en elkaar daarbij steeds nét niet raken. Maar het is ook een plant die zich onbekommerd en vrij naar de hemel richt – alsof Visser erin is geslaagd de platen los te weken van de zwaartekracht. Alles zit erin: figuratie en abstractie, lichtheid en zwaarte, speelsheid en ernst, aanraken en afstoten. Topbeeld, topkunstenaar, wereldklasse. Maar desondanks bestaat er dus nog steeds geen overtuigend overzicht van zijn werk. Geen boek en geen aandacht – of niet de goede. Ook niet hier.

Vijf zaaltjes

Want dat is het vervelende aan deze opstelling: het is goed dat die is gemaakt, maar lopend door de vijf zaaltjes besef je voortdurend dat er meer in had gezeten. Het Kröller-Müller heeft een van de mooiste Visser-collecies ter wereld, maar laat daar nu slechts een fractie van zien – die fractie is ook nog eens niet representatief. Terwijl ze dat wel in huis hebben. Waarom toch?

Mogelijk is de tentoonstelling voortgekomen uit het verlangen eer te bewijzen aan Art & Project-galeriehouder Adriaan van Ravesteijn die, net als Visser, twee jaar geleden overleed en het museum een uiterst gulle schenking uit zijn collectie deed – met daaronder inderdaad veel Vissers die nu worden getoond. Maar toch: de gever zou nooit boven de kunstenaar moeten worden gesteld, want daar heeft noch de liefdevolle schenker, noch de ondervertegenwoordigde kunstenaar belang bij. Uitpakken zou je willen, een groot geweldig Visser-feest, mét zijn Neukende honden, zijn Dronken, zijn Acrobaten en zijn Vliegende bril – allemaal uit de collectie van het Kröller-Müller. Laten we het erop houden dat dit gewoon een kleine voorstudie is, een opwarmertje voor het grote feestelijke overzicht waarmee het museum binnen enkele jaren groots gaat uitpakken. Visser verdient het.