Column

St. Maarten ideaal voor duurzame toekomst

Het lijkt me een typisch Nederlandse neiging om de discussie over de wederopbouw van Sint-Maarten te verengen tot vragen over geld. Krijgen ze geld uit de EU of niet (waarschijnlijk niet), hoeveel gaat Nederland meebetalen (veel, voor sommigen te veel), hoe lang gaat dat betalen duren? Ja, het gaat veel en lange tijd geld kosten, ook al betreft het een relatief klein aantal van 40.000 mensen, en ook al heeft Nederland vrijdag genereus gegeven voor het lenigen van acute nood (de vergelijking met Syrische vluchtelingen vermijden we maar).

Een natuurramp is een drama maar ook een kans. Hoe paradoxaal het ook klinkt, niet zelden, in rijke en zich ontwikkelende landen, leidt een natuurramp tot economische groei en vernieuwing. Juist de grote schaal van de schade maakt radicale veranderingen mogelijk in plaats van aanpassingen aan het bestaande. Aardbevingen en orkanen leiden tot veiliger gebouwen en nieuwe bouwvoorschriften, betere infrastructuur van wegen en nutsvoorzieningen, waarbij wildgroei in de ruimtelijke ordening aan banden gelegd wordt. Dat kost geld, maar brengt werkgelegenheid, investeringen, nieuwe kennis en een nieuw elan.

Ter vergelijking: de aardbeving in Kobe in 1995 trof een regio die 12,5 procent uitmaakte van de Japanse productiecapaciteit en veroorzaakte 120 miljard dollar schade. Toch was het effect op het bnp nihil en groeide de nationale productie na een maand alweer. Uiteraard is Sint-Maarten onvergelijkbaar kleiner en in zijn totaliteit getroffen, heeft het geen industriële productie noch kapitaalbuffers. Maar dit geeft wel aan dat een aardbeving niet automatisch hoeft te leiden tot langdurige ontwrichting.

Laten we het herstel van Sint-Maarten als een kans zien. Nederland kan binnen het koninkrijk het beste aan kennis, technologie en sociale organisatie bijeenbrengen om van het eiland een etalage te maken voor een duurzame samenleving. Dat is, boven de humanitaire verplichting die Nederland heeft, voldoende grond voor investeringen.

In veel opzichten is Sint-Maarten een ideale kandidaat: er valt meer regen en het is dichter bevolkt dan andere eilanden in het gebied. De landbouw bestaat nu nauwelijks. Voor het toerisme, de dominante economische sector, moet bijna alles geïmporteerd worden. Kansen te over om de economie te hervormen met ecologisch verantwoord toerisme, lokaal voedsel van land en zee, slimme sensoren om afval en water te meten en te bestemmen voor hergebruik en openbaar vervoer op het hele eiland om het aantal auto’s terug te dringen. Ook in de ruimtelijke planning liggen kansen door een meer geleidelijke overgang tussen stad en platteland, woonwijken in het landschap met volop ruimte voor biodiversiteit en voedselproductie, vegetatie en bassins voor opvang van regenwater. Wijken dus met groen en stadstuinbouw, schone energie en volop wandelpaden voor bewoners en toeristen, met zorgvuldige zonering van kust en koraalriffen.

Het feit dat het Nederlandse Sint-Maarten onderdeel vormt van een eiland dwingt tot samenwerking met de Fransen die ook duurzaamheid hoog in het vaandel hebben. Een eiland is een mooie geografische eenheid met kansen en beperkingen voor kringlopen. Parallel aan de noodhulp moet er dus snel een brede visie op duurzaamheid als bindend thema van de wederopbouw komen.

Ik haast me te zeggen dat dit niet een verkapte vorm van neokolonialisme moet worden maar juist een kans om de bevolking te betrekken bij het vormgeven van hun toekomst. Nederland en Frankrijk: maak hier een aanstekelijke wedstrijd van. Vraag om voorstellen van studenten, start-ups en groene investeerders uit de hele wereld. Geld kan niet het probleem zijn. Wie weet wordt Island St Martin zo een merk voor duurzaamheid.

Louise O. Fresco is voorzitter van de Raad van Bestuur Wageningen U&R en schrijfster.