Cultuur

Interview

Interview

Foto Iwan Baan

Museum voor Afrika, door Afrika in Kaapstad

Interview Mark Coetzee

Het Zeitz MOCAA, dat vrijdag opent in Kaapstad, is het grootste kunstmuseum van Afrika. Directeur Mark Coetzee: „Het wordt tijd dat Afrikanen hun eigen verhalen gaan vertellen.”

Alsof je een ruimteschip betreedt, of een futuristische kathedraal. De entreehal van het Zeitz Museum of Contemporary African Art, het gloednieuwe museum voor hedendaagse kunst in Kaapstad, is in geen enkel opzicht een conventioneel kunstgebouw. In het duizelingwekkende atrium schieten betonnen cilinders richting hemel als uit de kluiten gewassen orgelpijpen. Veel van die buizen zijn schuin doormidden gezaagd, waardoor ovale gaten zijn ontstaan. Andere buizen bieden ruimte aan wenteltrappen of glazen liften. Er is geen rechte hoek te bekennen. Alles draait, golft en kolkt om je heen.

Zeitz MOCAA is gevestigd in een voormalige graansilo uit 1921, die door de Britse architect Thomas Heatherwick voor 32 miljoen euro op spectaculaire wijze werd verbouwd. Het atrium is uit het hart van het gebouw gehakt, als een kunstmatige grot, in de vorm van een graankorrel. Daaromheen liggen de expositiezalen, die met hun witte wanden en grijze vloeren wel dienend zijn aan de kunst. Met tachtig zalen verspreid over negen verdiepingen is Zeitz MOCAA in één klap het grootste kunstmuseum in Afrika. Het Afrikaanse antwoord op Tate Modern, zo wordt deze tempel voor 21ste-eeuwse kunst nu al genoemd.

Vrijdag opent het Zeitz MOCAA voor het publiek en zal het de nieuwe topattractie gaan vormen in het Victoria & Albert Waterfront-district, het toeristische havengebied van Kaapstad. Maar het belang van het museum reikt veel verder, zegt directeur Mark Coetzee (53). „Dit is een mijlpaal voor heel Afrika.” Coetzee wil een podium bieden aan kunstenaars uit alle 54 Afrikaanse naties, maar ook aan zwarte kunstenaars die door de diaspora in andere delen van de wereld terecht zijn gekomen. „De geschiedenis van Afrika is altijd geschreven door mensen die van elders kwamen”, zegt hij. „Het wordt tijd dat Afrikanen hun eigen verhalen gaan vertellen. In marketingtermen zou je kunnen zeggen: uit Afrika, door Afrika, voor Afrika.”

Propaganda voor het ANC

Voor zijn generatie is het ook een belangrijk persoonlijk moment, zegt Coetzee, een homoseksuele blanke Zuid-Afrikaan die in Kaapstad werd opgeleid als kunstenaar. „Mijn generatie is opgegroeid tijdens de apartheid. Zoals bij ieder dictatoriaal regime werd kunst gecontroleerd door de staat. Er waren twee kampen. Je had kunstenaars die propagandistisch werk maakten voor de culturele afdeling van het ANC. En dan was er de nationale overheid, die wilde dat kunstenaars een utopisch beeld van Afrika schetsten, met mooie landschappen zonder menselijke aanwezigheid. Dat waren de werelden die ons werden voorgeschreven.” Zelf maakte Coetzee in die tijd kritisch werk dat onderwerpen als homorechten en mensenrechten aankaartte. „Tijdens de apartheidsjaren werden al mijn tentoonstellingen verboden.”

Op de academies kregen Zuid-Afrikaanse kunstenaars vooral de westerse kunstgeschiedenis voorgeschoteld, vertelt Coetzee. „Van de Griekse en Romeinse Oudheid tot het heden. En misschien dat er één les werd besteed aan kunst van het Afrikaanse continent. Onze musea hadden een zeer kolonialistische agenda. Tot heel recent nog toonde onze National Gallery vooral artefacten van de koloniale grootmachten als Groot-Brittannië, Frankrijk en Nederland. Technisch gezien mochten alle gemeenschappen die musea betreden – als publieke ruimtes vielen ze niet onder het apartheidsregime. Maar in werkelijkheid ging er geen zwarte Afrikaan naar het museum.”

Het nieuwe Zeitz wil daar verandering in brengen. Het museum is gratis voor iedereen onder de achttien en biedt op woensdagen gratis toegang voor alle Afrikanen. Een kaartje kost 180 rand (11,50 euro), maar voor 5 rand meer kun je lid worden en mag je het hele jaar naar binnen. „Onze belangrijkste taak is om een gemeenschap te creëren die betrokken blijft bij dit instituut”, zegt Coetzee. „Wij bouwen geen museum voor de toeristen. Dat zogenaamde Bilbao-effect interesseert me niet. Dit museum is een academisch instituut, het gaat hier om verzamelen, conserveren, onderwijzen, onderzoeken, mensenlevens verrijken – dus niet om de waarde van vastgoed of de hoogte van bezoekcijfers.”

De ontstaansgeschiedenis van het nieuwe Zeitz MOCAA berust voor een deel op toeval. Coetzee werkte lange tijd als curator voor de Rubell Family Collection in Miami. Daar kwam hij in 2008 in contact met de Duitse zakenman Jochen Zeitz, die met zijn sportmerk Puma een van Coetzees tentoonstellingen sponsorde. De twee vonden elkaar in hun liefde voor Afrikaanse kunst. Toen Coetzee hem vertelde over zijn droom een museum voor Afrikaanse kunst te beginnen, bood Zeitz zijn hulp aan. Samen legden ze in korte tijd een grote collectie aan met werken van internationale sterren als William Kentridge, El Anatsui en Isaac Julien.

In dezelfde periode was het Waterfront al bezig om met architect Thomas Heatherwick plannen te maken voor een nieuwe bestemming voor de graansilo. Coetzee: „Vier jaar geleden vonden we elkaar en zijn we gaan samenwerken. Thomas had al mooie plannen uitgewerkt, maar toen kwamen wij erbij en moesten de eisen worden aangepast. We wisten precies wat we wilden: hoeveel vierkante meter expositieruimte, de hoogte van de plafonds, de klimaatinstallatie. Thomas heeft toen echt een gevecht met het gebouw moeten aangaan om dat te realiseren.”

Foto Iwan Baan
Het nieuwe Zeitz MOCAA is gevestigd in een graansilo uit 1921

Foto Iwan Baan
Foto Iwan Baan

Jochen Zeitz heeft zijn collectie als permanente bruikleen aan het museum gegeven. Die verzameling was de katalysator, zegt Coetzee. „We konden niet beginnen zonder inhoud.” Intussen is ook de eigen collectie van het museum razendsnel aan het groeien. Er is een fiks aankoopfonds beschikbaar en vanuit alle hoeken van de wereld worden door kunstenaars en verzamelaars donaties gedaan. Galeriehouders en musea bieden genereus mooie bruiklenen aan. Coetzee: „Een New Yorkse verzamelaar heeft ons net een werk van Isaac Julien geschonken dat een miljoen rand waard is. Ze had het aan ieder museum in de wereld kunnen geven, maar ze wilde dat het hier terechtkwam. Iedereen lijkt te willen dat dit museum een succes wordt.”

De tijd is rijp voor een museum voor Afrikaanse kunst, zo lijkt het. Ook op grote internationale tentoonstellingen als de Documenta en de Biënnale van Venetië stond kunst uit Afrika afgelopen zomer volop in de belangstelling. De Parijse Fondation Louis Vuitton sloot net een succesvolle expositie over Afrikaanse kunst af, Tate Modern maakte een overzicht over Afro-Amerikaanse kunst. Maar volgens Coetzee moeten we niet te vroeg juichen. „Veel van mijn collega’s zeggen: eindelijk krijgt Afrika een plek in de canon. Ik twijfel daaraan. Ik denk niet dat je jaren van racisme kunt uitwissen met een paar tentoonstellingen over Afrikaanse kunst. De kunstwereld is zeer trendgevoelig, dat is mijn grootste zorg. Dit museum moet een blijvend instituut zijn, ook als de trend weer overwaait en de kunstwereld andere regio’s gaat verkennen.”

Kunst veiligstellen

Voor veel Afrikaanse instellingen is die trend bovendien een nadeel, zegt Coetzee. De prijzen voor Afrikaanse kunst schieten omhoog. „Vroeger werden onze kunstwerken gestolen door koloniale grootmachten, nu worden ze opgekocht door culturen die de canon willen herschrijven. Verzamelaars, maar ook Tate en MoMA doen er alles aan om Afrikaanse kunst te kopen. Voor lokale instituten die nauwelijks aankoopbudget hebben is het heel lastig om met hen te concurreren. Onze taak als museum is ook om die kunstwerken veilig te stellen, zodat ze het land niet zullen verlaten.”

Anders dan bij andere recentelijk geopende privémusea, zoals het Broad Museum in Los Angeles, draait het bij het Zeitz MOCAA niet om de smaak van één verzamelaar. Het museum is een hybride mengvorm: een publiek instituut dat privaat gefinancierd is. Het Zeitz heeft nu 21 curatoren in dienst en leidt er nog eens 18 op. Er zijn aparte afdelingen voor bewegend beeld, kostuums, performances, fotografie en digitale kunst, die allemaal een eigen staf en een eigen budget hebben. „Het is het museummodel van de toekomst”, denkt Coetzee. „Wij geloven dat het museum duurzamer zal zijn als het gefinancierd wordt door diverse filantropen. Staatssteun wordt steeds minder betrouwbaar. Je kunt je afvragen wie er meer vrijheid heeft, wij of de National Gallery. Zij krijgen subsidie, wij moeten iedere dag fundraisen. Maar als wij dat goed doen, hebben mijn curatoren wel de vrijheid om te doen wat ze willen. Gebrek aan geld is ook censuur, het beperkt je keuzevrijheid.”

Hoe zal het museum er over tien jaar uitzien? „Wat mij betreft heeft het museum succes als het niets voorschrijft, als het onvoorspelbaar is en een beetje chaotisch. Er moet geëxperimenteerd worden. Kunstenaar William Kentridge is dit jaar in Johannesburg zijn Centre for the Less Good Ideas gestart. Dat vind ik een geweldig idee, dat je mensen aanmoedigt om fouten te maken en dingen laat zien die marginaal of obscuur zijn. Daar halen we onze inspiratie vandaan. Natuurlijk vinden sponsors het fijner als je de gevestigde orde toont. Dat is makkelijker te verkopen. Maar dat maakt ons niet meteen een goed museum.”