Interview

‘Met mijn camera word ik een luipaard’

Bruce Davidson

De Amerikaan Bruce Davidson (84) fotografeerde de rassenrellen in Selma en de armoede in New York. Het Nederlands Fotomuseum toont nu een overzicht van zijn werk.

USA, New York City, 1962. Black Americans Foto Bruce Davidson

Het was even een benauwd moment, alweer pakweg zestig jaar geleden, maar Magnumfotograaf Bruce Davidson (1933) weet het nog: „Bobby, leider van de Brooklyn Gang, kwam naar me toe. Hij zei: ‘Ik wil je meenemen naar het dak. Dan heb je een heel mooi uitzicht over de baai.’ Ik wist: de kans is groot dat hij me meelokt om me te beroven. En me dan van het dak gooit. Maar ik wist ook: als ik niet meega, dan is deze relatie voorbij. Dus ik ging mee. En inderdaad, het uitzicht boven was prachtig.”

Hij werd niet beroofd, vertelt Davidson daags voor de opening van zijn retrospectief in het Nederlands Fotomuseum. En zijn vertrouwen werd beloond. Hij werd toegelaten tot de groep, wat hem een van zijn eerste beroemde series opleverde: beelden van de gefrustreerde witte jeugd uit de jaren vijftig, vol fotogenieke individuen. „Het waren tieners zonder hoop. De gemeenschap hielp ze niet. Er was enorm veel alcoholisme. Soms aten ze drie keer per dag havermout, meer was er niet. En toch hadden ze een heerlijke vitaliteit, dus richtte ik mijn lens daarop.”

USA, Palisades, New Jersey, 1958. The Dwarf

Foto Bruce davidson
USA, Brooklyn, New York, 1959. Brooklyn Gang

Foto Bruce Davidson
Foto Bruce Davidson

Met Bobby is hij contact blijven houden. En ook andere gemeenschappen is hij zichtbaar gaan maken door hun vertrouwen te winnen. Soms trok hij jarenlang met mensen op. Een humanistisch fotograaf noemt het Fotomuseum Davidson. Het museum toont nu zijn bekendste series: The Dwarf over de gruizige keerzijde van het circus, The Selma March over de mensenrechtenbewegingen uit de jaren zestig en East 100th Street over armoede uit diezelfde tijd, Subway in de jaren tachtig en zijn recente abstracte series van parken, gefotografeerd met bolle lenzen en ongebruikelijke horizons.

Met tweehonderd afdrukken, chronologisch, zwart-wit, heeft het museum de expositie net zo klassiek ingericht als vorig jaar die van Henri Cartier-Bresson, bij wie Davidson nog kort in de leer was. Die invloed lijk je af te zien aan Davidsons vroege atmosferische Parijse foto’s. Zoekt ook hij, net als zijn Franse voorbeeld, naar het beslissende moment? „Ik zoek eerder het niet-beslissende moment: naar de dingen die maar gebeuren. Ik fotografeer wat ik zie, wat om me heen gebeurt, door vol te houden, de tijd te nemen. In dat opzicht waren de jaren zestig voor mij de juiste tijd om mee te maken.”

Want er gebeurde veel, zoals de rassenrellen in het diepe Zuiden. Beroemd zijn zijn foto’s van de Selma Mars in 1965, een protestmars voor gelijke rechten onder leiding van Martin Luther King. „Daar wilde ik bij zijn, een beeld scheppen van wat gaande was, en nergens meer dan een meter vandaan staan. Dus ik stond dicht op de politie, op de arrestaties. Ik liep de mars mee, zonder opdracht. Het regende. Mensen deden plastic zakken over zich heen, ook de kinderen. Daar maakte ik heel eenvoudige opnames van wat ineens een mooie serie werd. Want daardoor zag je de mars als mensen, daar leerde ik van. Het ging niet om de mars, het ging om de individuen.”

Ku Klux Klan

In de tentoonstelling hangen zijn beroemde foto’s van Martin Luther King bij die van de Ku Klux Klan. Klanleden waren een bijeenkomst tegen separatisme in Atlanta komen verstoren en deelden flyers voor een kruisverbranding uit – Davidson eropaf, iets te dichtbij zelfs. „‘New York’, noemden ze me, ‘verplaats je auto even’. Een New Yorks nummerbord is daar een doodvonnis, ik ben snel weggegaan. Ik hoefde niet letterlijk onderdeel te worden van de verbranding.”

Toch bleef hij op onderwerpen afstappen. Hij is op bruggen geklommen, heeft op zijn tachtigste nog achter de Hollywood-letters gebivakkeerd. „Een keer zou ik een schip fotograferen, en eenmaal bovenin een hijskraan zei ik: ‘dat was niet de afspraak, dat dat schip zou gaan bewegen’. Het schip bewoog niet. De kraan reed weg.”

Foto Bruce Davidson

Hij is in Mississippi gearresteerd en werd in de jaren tachtig in de beruchte New Yorkse metro beroofd. „Ik ben thuis een tweede camera gaan halen, ik kon meteen verder.” Bij die serie is het jammer dat het museum enkel zwart-witfoto’s toont, zijn toenmalige kleurenbeeld was directer, krachtiger.

Al die beelden delen een nabijheid, vooral bij zijn foto’s van mensen in hun alledaagse leven. De armoede en ongelijkheid daarvan versterkten zijn nieuwsbeelden: het toonde aan waarom mensenrechten nodig waren. Van de Selma Mars ging hij naar East 100th Street in New York: „Die tijd gaf me een begrip van hoe mensen leven en overleven. Dus toen ik die ene straat vond die hulp nodig had, betere woonomstandigheden, wilde ik laten zien dat daar mensen leven met liefde, waardigheid, strijd. Dat alles bij elkaar wilde ik laten zien.”

Het zijn morsige beelden, van armoede en afval, maar strak ingekaderd en spannend gecomponeerd. Daardoor bevatten deze historisch niet-beslissende momenten die artistiek wel beslissende momenten, beeldende vondsten: een huilende baby onder een Christusbeeltenis, een meisje en parkietje die allebei op hun eigen manier gekooid zijn. Of, later, een rokende jongen in de grauwe metro onder een glossy tabaksposter. „Dat had een bite ja. Maar ik ga altijd ergens heen om te kijken zonder te oordelen. Ik hang stilletjes rond. Ik voer geen politieke dialoog. Al is die er impliciet wel.”

England, London, 1960. Girl Holding kitten

Foto Bruce Davidson
Foto Bruce Davidson
Foto Bruce Davidson

Die impliciete kleur vermoed je bij zijn nadruk op het vele gaas en gevoel van tralies in East 100th Street. Een ander soort wrevel lijkt verscholen in zijn fastfoodserie van Los Angeles, verveeld consumentisme, een vrouw in de supermarkt met een quasi-klassiek schilderij in haar winkelwagentje. En, geeft hij toe, vooral de mensenrechtenbeweging liet hem niet onbewogen: „In diezelfde tijd was ik een veelgevraagde modefotograaf, maar kon dat niet combineren met alle wreedheid. Dat heb ik ook tegen Vogue gezegd. Mensen en plekken, dat wel, maar bontjassen, nee.”

Babyfoto’s

Dus wilde hij geen mode in zijn tentoonstelling, logisch, maar waarom ontbreken ook zijn beeltenissen van beroemde filmsterren, Marilyn Monroe, Brad Pitt? „Die nemen maar ruimte in beslag. De mooiste vind ik portretten die geen echte portretten zijn. Ik fotografeer nog steeds mensen, maar mooi worden ze niet. Babyfoto’s doe ik niet, want met een camera word ik een luipaard, sla ik mijn klauwen uit. Juist akelige portretten zijn interessant, maar dat willen mensen niet. Pas nog fotografeerde ik de dochters van de rabbijn, die zien er afschuwelijk uit op mijn foto’s. Dat weet hij nog niet. Eigenlijk zou ik een bord moeten maken ‘Hier kunt u lelijke foto’s laten maken’.”