Hoogovens is al 45 jaar aan het fuseren

De Nederlandse staalindustrie heeft al vier grote internationale fusies achter de rug. Wordt dit de laatste?

Staalwerker bij een hoogoven van ThyssenKrupp in Duisburg. Foto Ina Fassbender/Reuters

Je kunt er de klok op gelijk zetten.

Een opgaande economische conjunctuur maakt de geesten én de omstandigheden rijp voor een nieuwe staalfusie. Zo ging het in 1972, toen de Koninklijke Hoogovens in IJmuiden met het Duitse staalbedrijf Hoesch fuseerde tot Estel.

Zo ging het in 1999, een economisch topjaar, toen het inmiddels weer zelfstandige Hoogovens samenging met British Steel. Dat werd Corus.

Zo ging het toen Corus zichzelf in 2007 onder druk van de aandeelhouders op de golven van economisch hoogtij op een veiling te koop aanbood. Na een verhitte biedingsstrijd tussen twee kampioenen uit opkomende markten, het Braziliaanse CSN en Tata uit India, bood de laatste de hoofdprijs: 9,4 miljard euro.

Nu voedt de economische bloei nogmaals een grensoverschrijdende fusie. Tata Steel Europe gaat samen met de staaldivisie van ThyssenKrupp.

Smelters en walserijen

De wisselwerking van economie en fusies in deze bedrijfstak heet ook wel de staalcyclus. Staalbedrijven staan erom bekend dat zij het eb en vloed van de economie intensief ondergaan. Wanneer de economie groeit, en de vraag naar staal voor bijvoorbeeld auto’s en bedrijfswagens toeneemt, verdienen de staalbedrijven goed geld. Staalbedrijven zijn kapitaalintensieve ondernemingen: een fabriek is peperduur. Ze hebben hoge vaste kosten om die smelters en walserijen te laten draaien.

Als er veel vraag is van hun afnemers, kunnen ze hun prijzen verhogen. Ze draaien dan op volle capaciteit en hun verdiensten zijn navenant hoog.

Maar dan komt de onvermijdelijke terugval van de economie. Investeringen krimpen. De staalfabrieken kampen met te veel capaciteit, prijzen dalen en je mag als staalbaas blij zijn als je de vaste kosten nog kunt betalen. De sector duikt in de verliezen. Financieel zwakke fabrikanten met weinig buffers gaan op de fles. Zo verdwijnt een deel van de capaciteit en de cyclus start opnieuw als de economische lente aanbreekt.

Interne spanningen

Hoogovens heeft in deze staalcyclus altijd een prominente rol gespeeld. Omdat Hoogovens de enige Nederlandse producent was, waren fusies met buitenlandse concurrenten de enige optie om overeind te blijven. Duitsland lag als buurland én als partner in (toen nog) de EEG, het meest voor de hand. Hoogovens en Hoesch deden iets wat in 1972 uniek was: een grensoverschrijdende fusie. Zij bouwden in Nijmegen, bovenop de stuwwal, een nieuw hoofdkantoor voor Estel. Nijmegen lag precies tussen hun twee hoofdvestigingen in.

De fusie met British Steel kreeg zijn hoofdkantoor in Londen. Geen goed teken. De Nederlanders voelden zich al snel het ondergeschoven kind, het ‘slachtoffer’ van Britse topmanagers die hun oren lieten hangen naar de Britse vakbonden die verlieslijdende Britse fabrieken open wilden houden.

Estel, Corus, maar ook Tata Steel kregen ieder te maken met de zwarte kant van de staalcyclus. Het moment waarop de malaise in de economie en de (dreigende) verliezen zoveel interne spanningen oproepen dat er nog maar één keuze overblijft: kraken of maken. Estel en Corus kraakten. Tata wil nu, met ThyssenKrupp, een nieuwe combinatie maken.

Juist in een opgaande economie zijn de omstandigheden ideaal voor een fusie. Om te beginnen is er het vanzelfsprekende optimisme dat elk conjunctuurherstel kenmerkt. De staalfabrikanten zien veder kansen om twee vliegen in één klap te slaan. Fusies én reorganisaties.

Met fusies proberen zij ruimte te maken om sneller fabrieken te sluiten. Daarmee reduceren zij de capaciteit en dat vereenvoudigt prijsverhogingen. Hun winstherstel schept ook ruimte om geld opzij te zetten voor een sociaal plan bij de ontslagen die samengaan met fabriekssluitingen.

De vraag is of dat nu lukt. Kenmerkend in de Noord-Europese staalsector zijn de goed georganiseerde vakbonden. In Nederland en Duitsland verzet men zich, al zijn de bonden daar ook realistisch. Zonder solide sociaal plan gaat het echter niet lukken.

Het hoofdkantoor van deze fusie-zonder-naam komt in de regio Amsterdam. Van die eerste grote fusie, in 1972, resteert ook nog het hoofdkantoor. Het is recent verbouwd tot een appartementencomplex. Er staan nog vier flats te koop, vanaf 675.000 euro. Je hebt er adembenemende vergezichten.