Recensie

Guimarães voedt het bitterzoet verlangen één en al oog te zijn

Eye organiseert vaak tentoonstellingen met kanonnen van de filmkunst, zoals Kubrick of Scorsese. Die worden afgewisseld met exposities van iets minder bekende goden. Deze herfst zijn dat Apichatpong Weerasethakul en Gao Guimarães, die korte films en installaties laten zien die in een bioscoop niet getoond kunnen worden of minder tot hun recht zouden komen.

De grote installatie Primitive (2009) van Weerasethakul kan bekeken worden vanaf een rond rood podium vol zachte kussens. Je kunt hier gerust in slaap vallen. Misschien is dat zelfs waar de filmmaker op hoopt; opdat het na afloop lijkt alsof je geen films hebt gezien maar dromen.

Weerasethakul (Bangkok, 1970) won zeven jaar geleden met Uncle Boonmee Who Can Recall His Past Lives de Gouden Palm op het filmfestival van Cannes. Er volgde gemor, want de film zou saai en onbegrijpelijk zijn. Wie van films houdt die speurtochten zijn, met aan het eind of na lang denken een beloning in de vorm van een schatkist of begrip, kan hier alleen bedrogen uitkomen.

De revelatie van deze dubbeltentoonstelling is het werk van Gao Guimarães (Belo Horizonte, 1965). Zijn korte films zijn helder en precies; ze graven de schoonheid op die in de werkelijkheid verborgen zit; niet eens zo heel diep, nee eigenlijk bevindt die zich gewoon aan de oppervlakte, onbespied. De instrumenten van deze horizontale schatgraver zijn inzoomen en kadreren zodat iedereen kan zien wat hem zonder dat gereedschap al opviel. De film Sin Peso (Zonder gewicht, 2007) bestaat bijvoorbeeld uit de gekleurde doeken die op een markt ergens in Brazilië als zonweringen worden gebruikt. Guimarães neemt ze in close-up, zodat de kleur haast beeldvullend wordt: zacht waaiend geel, opbollend blauw, stromend roze. De abstracte schilderijen bekend uit musea lijken hier opeens tot leven gekomen. Ik ben benieuwd of de film net zo mooi had gevonden als ik die schilderijen niet gekend had; is dit meer dan een aardige voetnoot? Maar dat zou je van het werk van Calder ook kunnen zeggen, die zijn mobiles ten slotte ‘bewegende Mondriaans’ noemde.

Even betoverend is O sonho da casa própria (Gesluierde droom) waarin de sluiers van een bruid en de gazen doeken om gebouwen die gerenoveerd worden de werkelijkheid niet verhullen maar zijn, als de mist op een impressionistisch schilderij.

Guimarães bekendste werk is waarschijnlijk Quarta-feira de cinzos (Epiloog: Aswoensdag, 2006), waarin mieren de confetti naar hun nest slepen die met carnaval is gevallen. Misschien zou de film nog beter zijn als je dat niet eens zou weten; zijn werk doet je verlangen naar een en al oog zijn. Dat dit een staat is die nooit geheel bereikt kan worden omdat de mens nu eenmaal meer is, maakt zijn beste films bitterzoet. Soms overspeelt Guimarães zijn hand. O inquilino (De huurder, 2010), een film over een zeepbel die door een huis zweeft, is te mooi om waar te zijn – een zeepbel kan toch niet de hoek om gaan? O inquilino doet vooral verlangen naar de making of van deze film. Kennelijk zijn de verrukkingen van Guimarães vooral te verdragen als ze van de straat geplukt lijken. Alsof je zijn poëzie zomaar zelf had kunnen zien.