Raad van State: rijk moet koopkracht van ouderen niet compenseren

De Raad van State is traditiegetrouw kritisch bij de jaarlijkse miljoenennota. Ook nu het een beleidsarme begroting betreft.

Foto Lex van Lieshout/ANP

Het compenseren van koopkracht voor gepensioneerden, zoals het demissionaire kabinet in zijn laatste begroting voor 2018 heeft afgesproken, is om meerdere redenen een slecht idee en niet voor herhaling vatbaar. Dat stelt de Raad van State in haar jaarlijkse advies over de rijksbegroting.

Het adviesorgaan onder leiding van CDA’er Piet-Hein Donner omarmt de conclusie die het kabinet zelf in de Miljoenennota trekt: dat koopkrachtreparatie voor gepensioneerden „werkenden dubbel raakt. Zij betalen die reparatie, maar eveneens valt hun toekomstige koopkracht lager uit”.

Omdat pensioenfondsen in de afgelopen jaren de uitkeringen aan gepensioneerden niet hebben laten meegroeien met de inflatie (indexeren), staan toekomstige pensioenuikeringen ook op een lager niveau.

Tussen de regels van het advies is ook te lezen dat de Raad van State het niet als „de taak van de overheid” ziet om koopkracht (hoeveel een huishouden kan kopen) voor gepensioneerden te compenseren als pensioenfondsen besluiten om pensioenuitkeringen niet te indexeren – ook het kabinet noemt dit dilemma in de Miljoenennota.

Het Centraal Planbureau beraamde eerder dit jaar dat uitkeringsgerechtigden en gepensioneerden in 2018 in koopkracht achteruit dreigen te gaan. Om die reden besloot het scheidend kabinet Rutte II om in zijn laatste begroting 425 miljoen euro in te ruimen om de bestedingsruimte voor deze „kwetsbare groepen” te verhogen. Voor gepensioneerden zou dat gaan om ruim 100 miljoen euro. Een dergelijke koopkrachtreparatie „moet geen standaard worden”, schrijft Donner (69) in zijn advies.

Stijgende zorgkosten

De Raad van State heeft meer kritische opmerkingen en waarschuwingen bij de Miljoenennota. De ontwikkeling van het begrotingssaldo en de staatsschuld zijn weliswaar „zonder meer gunstig” – Nederland voldoet voor het eerst in jaren aan alle Brusselse begrotingsnormen. De overheidsfinanciën zijn door een aantal factoren toch ook uitermate kwetsbaar, schrijft de Raad van State. Zo waarschuwt Donner met name voor de oplopende kosten van de gezondheidszorg. Deze „aanzienlijke uitgavenstijging” (met 4,1 procent per jaar) zal leiden tot „verdringing van andere uitgaven, achterblijvende koopkracht„ en beperking van het besteedbare inkomen”.

Daarnaast is er in de komende jaren veel geld nodig voor enkele majeure hervormingen: van het belastingstelsel bijvoorbeeld en op de arbeidsmarkt. En zullen werknemers, zowel in overheids- als in private dienst, door de doorzettende economische groei meer loongroei eisen. Dit zal „waarschijnlijk ook leiden tot hogere overheidsbestedingen”.

Verschillende internationale verdragen zullen het komende kabinet eveneens tot „omvangrijke hogere uitgaven” dwingen. De Navo-norm vraagt om een hoger budget voor defensie en om te voldoen aan het klimaatverdrag van Parijs zullen er miljarden nodig zijn.

Al met al trekt de Raad van State dezelfde conclusie als de onderhandelende partijen aan de formatietafel in de afgelopen maanden ook al trokken: de overheidsfinanciën staan er gunstig voor maar „de beschikbare budgettaire ruimte kan minder groot zijn dan gedacht.”