Column

Onze diepe behoefte aan orde leidt soms tot: onzin

Op tv zag ik twee mensen tegenover elkaar aan een tafel zitten. Niet voor een gesprek over de moderne tijden en de wereld, maar om te daten. Ze wisselden meteen maar hun plannen voor de toekomst uit, zodat alles gezegd zou zijn, mochten ze na vanavond besluiten te trouwen. De vrouw draaide er niet omheen. Ze trok een streng gezicht en legde haar belangrijkste eis acuut op tafel. „Ik wil geen kinderen, want ik heb veel witte meubels in huis.”

Dit zou een vrouw naar mijn hart moeten zijn. Ordelijk, niets verbloemend, gesteld op helderheid. Toch vond ik het een weinig romantische zet voor zo’n avondje uit; en hoe veel bezwaren ik persoonlijk ook heb tegen de neiging van kinderen om alles scheef te zetten en alles vies te maken, ik voelde intuïtief dat in het toekomstplan van deze vrouw weinig lol te beleven viel. We hadden hier duidelijk de spanning te pakken tussen de klassieke behoefte aan ordening en de romantische rommeligheid van het bestaan.

In de weken die volgden zat ik zelf onophoudelijk tegenover iemand aan tafel. Niet om te daten, maar voor een gesprek over de moderne tijden en de wereld. En iedereen, werkelijk iedereen, begon over de spanning tussen orde en ordeloosheid, tussen greep en ongrijpbaarheid. En niemand die tussen beide kiezen kon. Gelukkig maar, want het is een tragische keuze, die tussen je strakke meubels en de kinderen.

Mijn eerste gesprekspartner kwam aanzetten met een Portugese website over wetenschappers. En over de manier waarop die tot invallen komen. ‘The Birth of an Idea: scientists talk about the genesis of their ideas.’ Terwijl de gesprekspartner tosti’s bestelde – een mens moet eten – las ik de bijdrage van natuurkundige Jon Butterworth, This is not a measurement, over het meten van gluonen. Kennelijk bestaan ergens in de natuur gluonen en blijkbaar zijn die niet langs directe weg te meten. Maar Butterworth had sophisticated computerprogramma’s gevonden die beloofden dat het toch kon. Greep op de materie!

Het resultaat van de metingen was rampzalig. Tot Butterworth zich midden in de nacht opeens realiseerde dat die rampzaligheid het resultaat was van „interpretatie van de data door verschillende theoretische modellen, die in de software waren geïmplementeerd”. De deftige programma’s beloofden orde, maar het was een onzinnige orde, een suggestie van greep die met de werkelijkheid niets te maken had. Echt meten zou niet afhankelijk mogen zijn van zulke valse pretenties in de software, zei Butterworth. „Real measurement of something should not care about this stuff.

Toen kwam de tweede gespreksgenoot aan mijn tafel zitten. Ze schoof ongeduldig een hoop rommel opzij, krantenknipsels, argumenten, lege bordjes en begon vervolgens over onderzoekers Yilun Wang en Michal Kosinski uit Stanford. Die hadden het nieuws gehaald met hun claim dat software kan zien of je gay bent. Programma’s kunnen homoseksualiteit aflezen aan je gezicht. Maar wetenschappers alom waren gaan sputteren en lieten zien hoeveel hineininterpretieren aan de bewering te pas kwam. Net als natuurkundige Butterworth zeiden ze dat je uit de software kreeg wat je erin stopte.

Overigens hadden onderzoekers Wang en Kosinski alleen maar gezegd dat hun software bij bestudering van twee portretten kan raden wie zichzelf gay noemt. Maar media, waaronder zelfs een verstandige krant als The Guardian, maakten daarvan dat software in het wild van bijna ieder gezicht kan zien hoe het zit. De mens heeft behoefte aan orde, en mocht die er niet zijn, dan scheppen onderzoekers haar met hun model. Is dat nog niet genoeg, dan timmeren media zo hardhandig op het model dat het als door een wonder precies op de hele werkelijkheid past.

Het was inmiddels een zooi geworden aan tafel en de derde die zich aandiende verloor daardoor alle omgangsvormen uit het oog. Hij smeet de American Affairs Journal op tafel en bestelde bitterballen. Luid kauwend wees hij op een artikel van Philip Pilkington waarin de econoom Paul Samuelson werd geciteerd. Die had ooit gezegd dat je met simpele axioma’s de werkelijkheid van het menselijk gedrag niet goed kunt benaderen. Dat rommeligheid zich niet zo makkelijk laat ordenen.

Tegelijk had Paul Samuelson gezegd dat de mens toch zoveel behoefte aan orde heeft dat je je zou doodschamen om tegen theoretische axioma’s in te gaan. „Speaking for myself, I know I would.” En terwijl het gezelschap aan tafel steeds liederlijker werd, trok ik een nuchtere conclusie uit alle gesprekken. Dat de behoefte aan orde groot is. Zo groot dat je desnoods doet alsof modellen en axioma’s hout snijden ook als ze dat overduidelijk niet doen. Mij leek het een belangrijk inzicht, maar niemand luisterde meer.

Maxim Februari is jurist en columnist.