Onderzoek: Eritrea blijft verboden diasporabelasting innen

Intimidatie

Eritrese vluchtelingen worden nog steeds gedwongen geld af te dragen aan het regime in het thuisland, blijkt uit nieuw onderzoek. De Nederlandse regering wil optreden, maar heeft aangiftes nodig.

De politie greep in bij een betoging van tientallen Eritreeërs en sympathisanten in Veldhoven. Foto Rob Engelaar/ANP

Eritrese vluchtelingen in Nederland worden nog steeds gedwongen een zogeheten diasporabelasting af te dragen aan het regime in Asmara. Ondanks een vorig najaar ingesteld verbod op die heffing, speelt het Eritrese ambassadekantoor in Den Haag nog steeds een belangrijke rol bij de „onrechtmatige” inning ervan. Vluchtelingen worden daarbij onder zware druk gezet, geïntimideerd en soms regelrecht bedreigd.

Dat blijkt uit nieuw onderzoek dat is verricht in opdracht van het ministerie van Buitenlandse Zaken. De resultaten ervan zijn maandagavond naar de Tweede Kamer gestuurd.

In een begeleidende brief zegt de regering dat zij druk zal blijven uitoefenen op de Eritrese ambassade om openheid van zaken te geven. Diplomatieke maatregelen worden niet uitgesloten „indien zich harde bewijzen manifesteren van intimidatie en ongeoorloofde dwang bij de inning van Eritrese diasporabelasting”.

Het geld, waarvan de uiteindelijke bestemming vaag blijft, wordt via de ambassade geïnd, door tussenpersonen zoals dominees.

Tegelijkertijd benadrukken de betrokken (demissionaire) ministers Koenders (Buitenlandse Zaken, PvdA), Blok (Veiligheid en Justitie, VVD) en Asscher (Sociale Zaken, PvdA) dat strafrechtelijke vervolging pas mogelijk is als Eritreeërs daadwerkelijk aangifte doen van dwang en intimidatie. Door de sterke sociale controle binnen de Eritrese gemeenschap zijn velen huiverig om dat te doen. Daarom is politie gevraagd extra alert te zijn. Dat heeft inmiddels geleid „tot een aantal aangiften”, aldus de brief. Maar van concrete vervolging is tot dusver nog geen sprake.

Er ís geen groep asielzoekers die verder afstaat van de Nederlandse samenleving dan de Eritreeërs. Vrijwel álles in hun land is anders. NRC ging op pad met de vrijwilligers die hen bijstaan.

Bedenkelijk beeld

Over de omstreden diasporabelasting, 2 procent van het inkomen van vluchteling, wordt al jaren gediscussieerd. Het jongste rapport – opgesteld door het Amsterdamse onderzoeks- en adviesbureau DSP-groep, in samenwerking met European External Policy Advisors (EEPA) in Brussel en de Universiteit van Tilburg – bevestigt het bedenkelijke beeld dat al langer bestaat over ‘de lange arm’ van het Eritrese bewind. Die strekt zich uit tot diep in de Eritrese gemeenschappen in het buitenland.

Behalve in Nederland interviewden de onderzoekers vluchtelingen in Italië, Noorwegen, België, Duitsland, Zweden en het Verenigd Koninkrijk. Het ging overigens maar om kleine aantallen ondervraagden. Dat beperkt de representatieve waarde van het onderzoek, schrijft de regering. Maar toch zijn er, ondanks verschillen tussen de landen, duidelijke conclusies te trekken.

Zo geldt in alle landen dat inning van de belasting gepaard gaat met vormen van dwang die de Eritrese autoriteiten een sterk greep geven op de diaspora. Het geld, waarvan de uiteindelijke bestemming vaag blijft, wordt via de ambassade geïnd, door tussenpersonen zoals dominees, ingezameld op sociale bijeenkomsten of via Dubai overgemaakt aan Asmara. Niet Eritrese overheidsambtenaren of diplomaten spelen een sleutelrol bij het incasseren van de belasting, maar functionarissen van de regeringspartij PFDJ. Die politieke spionnen in het buitenland, vaak behorende tot de eerste generatie Eritreeërs in de diaspora, met inmiddels het staatsburgerschap van hun gastland, zwaaien feitelijk de scepter.

Er zijn zorgen over intimidatie van Eritrese vrouwen in azc’s. Wat is er toch met ze aan de hand?

Grote spanningen

De schimmige diasporaheffing leidt tot grote spanningen binnen de Eritrese gemeenschappen in het buitenland. In Nederland wonen ongeveer 20.000 Eritreeërs. De eerste groepen kwamen in de jaren 80 en 90 tijdens de onafhankelijkheidsoorlog met Ethiopië en de jaren erna. De meesten van hen zijn genaturaliseerd en kunnen als vaderlandslievende Eritreeërs hun geboorteland gewoon bezoeken, en doen dat ook.

Maar het leeuwendeel van de Eritreeërs in Nederland is na 2000 gekomen. Die jongere generatie is juist gevlucht voor de militaire dictatuur en de politieke repressie. Deze mensen hebben het meest te vrezen van de diasporaheffing, en van de consequenties bij weigering. In het rapport staat dat ze dan geen reisdocumenten of andere papieren krijgen van de ambassade, maar ook het slachtoffer kunnen worden van sociale isolatie, intimidatie of fysiek geweld.

De spanningen kwamen afgelopen april tot een uitbarsting toen de Eritrese topdiplomaat Yemane Gebreab een bijeenkomst in het Brabantse Veldhoven wilde bezoeken, georganiseerd door de jeugdafdeling van de PFDJ. Uit Nederland en buurlanden kwamen ook jongere tegenstanders van het regime in Asmara naar het congrescentrum in Veldhoven. Daarop besloot de burgemeester de bijeenkomst te verbieden.

„De laatste tijd is de oppositie in Nederland sterker geworden. Er bestaat veel angst en wantrouwen binnen de gemeenschap”, schrijven de onderzoekers.