Recensie

Het idioom van de abstractie slaat een brug naar heden

Vanuit het heden bezien lijkt deze 20ste-eeuwse geschiedenis van de abstracte kunst een onwerkelijke droom. Maar de kracht van deze tentoonstelling ligt in de veelvoud van benaderingen.

In samenwerking met Stichting Art Zuid organiseert Art Chapel zo’n vijf keer per jaar een groepstentoonstelling met werk van hedendaagse kunstenaars. Dit jaar in de voormalige Sint Nicolaaskapel aan het Beatrixpark in Amsterdam. Elke tentoonstelling heeft een bepaald thema; Het idioom van de abstractie is opgezet door Maarten Bertheux, oud-conservator van het Stedelijk Museum.

De titel Het idioom van de abstractie is ietwat oubollig en op het eerste gezicht is de aanpak dat eveneens. In de toelichting wordt verwezen naar de geschiedenis van het Modernisme en van de abstracte schilderkunst, die ontstond rond 1910. Abstracte schilderkunst is niet bepaald een aandachtspunt in de kunst van dit moment. De focus ligt nu op politiek/sociaal engagement en op de vraag wat de kunst aan moet met grote maatschappelijke vraagstukken. Bij ‘idioom van de abstractie’ denk je juist aan een idealistische, onthechte vorm van kunst, aan geometrische structuur, aan een mathematische, heldere systematiek en aan het streven om door middel van een reductie van schilderkunstige middelen, door de uitbanning van iedere verwijzing naar de zichtbare wereld, tot een dieper inzicht in de werkelijkheid te komen. Vanuit het heden bezien lijkt deze 20ste-eeuwse geschiedenis van de abstracte kunst een onwerkelijke droom.

Diversiteit regeert

Maar het mooie van de tentoonstelling in Art Chapel is dat uiteenlopende benaderingen worden getoond, zodat een brug wordt geslagen naar het heden. Steven Aalders (1959) schildert geometrische composities van enkele grote, contrasterende kleurvlakken in de traditie van Mondriaan. Aalders zoekt naar afgewogen verhoudingen en naar een maximale spanning in het vlak, een spanning die maximaal is waar de grenzen van vlakken elkaar raken. De concentratie en precisie en de zinderende kleurtegenstellingen verlenen deze schilderijen een grote intimiteit.

Daartegenover staan de koele, systematische schilderijen van Peter Struycken (1939). Na bijna een halve eeuw van experimenteren met computerprogramma’s die veranderingsprocessen in beeldstructuren genereerden, heeft Struycken met zijn recente serie getiteld Colour Relationship weer voor het eerst het penseel ter hand genomen. Met de hand of niet, deze composities van vierkante kleurvlakken zijn de uitkomst van Struyckens fascinatie met wetmatigheden en toevalsstructuren.

Han Schuil (1958) schildert met de spuitbus op platen aluminium complexe assemblages van zowel geometrische als atmosferische beeldelementen. Vensters, spiegelingen, rasters en verfspetters roepen in één schilderij tegelijk kosmische vergezichten en een Pop Art-achtige alledaagsheid op.

Marius Lut (1976) ironiseert de verhevenheid van de abstractie door het schilderij binnenstebuiten te keren. Een jas hangt over een spieraam, zwarte wolken verf bedekken een spiegelende ondergrond. De spiegel lijkt met zijn onregelmatige contouren te verwijzen naar de geschiedenis van Shaped Canvas. Het schilderij is bij Lut een object waarin de beschouwer niet een ideale wereld, maar zichzelf weerspiegeld ziet.