De Troonrede gaat met zijn tijd mee

Veertien premiers schreven sinds de Tweede Wereldoorlog de Troonrede, drie koninginnen en één koning spraken hem uit. Hoe veranderde de Troonrede sinds 1945?

Koningin Juliana spreekt de Troonrede uit in 1966. Foto ANP

Er is haast geen toespraak waar aandachtiger naar wordt geluisterd dan de Troonrede. Wat is het kabinet van plan? Hoe kijkt men naar de toestand in de wereld? Maar het zijn wel vaak ellenlange volzinnen, doorspekt met ambtenarentaal, zodat je vaak behoorlijk goed moet luisteren om iets concreets te horen.

Dit jaar was de Troonrede die koning Willem-Alexander uitsprak een beetje vreemd. Er is nog geen nieuw kabinet, dus kon er ook geen nieuw beleid worden gepresenteerd. Dat wil niet zeggen dat een demissionair kabinet geen Troonrede kan schijven. Dat gebeurde acht keer sinds 1945. Deze demissionaire redes zijn gemiddeld wel een stuk korter, 1536 versus 2103 woorden. Dat blijkt uit een analyse die NRC deed van alle Troonredes sinds de Tweede Wereldoorlog. De Troonrede van 2017 was ook behoorlijk kort: 1648 woorden.

In de demissionaire Troonredes spreekt het staatshoofd minder vaak over “de regering”. Ook wordt er in een demissionaire Troonrede minder vaak verwezen naar de toekomst. Daarover heeft het immers maar weinig te zeggen. Ook in 2017 werden er weinig van zulke woorden gebruikt.

De toekomst is sowieso steeds meer uit de troonrede verdwenen. De frequentie van woorden als ‘zal’, ‘zullen’, ‘volgend’, ‘komend’ en ‘worden’ is in de loop der jaren duidelijk afgenomen.

Hoewel een premier de Troonrede met zijn volledige ministersploeg schrijft, drukt hij ook een eigen stempel op de rede. Tussen de verschillende premiers zijn duidelijk verschillen te zien. Zo was Ruud Lubbers (CDA, 1982-1994) bijvoorbeeld opvallend lang van stof. Ook in het taalgebruik zijn verschillen te zien. In de Troonredes van Jan-Peter Balkenende (CDA, 2002-2010) gaat het bijvoorbeeld een stuk vaker over “ons” dan in die van andere premiers.

Het taalgebruik van de Troonrede wordt minder complex. Dat is te zien aan een score, die berekend wordt door te kijken naar de lengte van de zinnen en woorden in een tekst. De Troonredes van Willem Drees hadden een score van rond de veertien, die van Rutte liggen net onder de twaalf. Hoe lager de score, hoe minder complex de tekst. De meest begrijpelijke Troonrede is van de hand van Jan-Peter Balkenende. Die schreef in 2008 een rede met een score van 9,5. Daarbij moet wel opgemerkt worden dat deze score is ontwikkeld voor het Engels. Het exacte leesniveau van een Nederlandse zin is er niet mee te bepalen, maar het niveau van teksten met elkaar vergelijken kan wel. De Troonrede van 2017 was ook begrijpelijk geschreven, met een complexiteit van 9,9.

Ook veranderingen in de Nederlandse taal zijn terug te zien in de troonrede. Het woord ‘der’ was in 1945 en 1950 het meest voorkomende woord in de rede, maar in de afgelopen twintig jaar is het slechts één keer gebruikt, toen de ‘Kamers der Staten-Generaal’ genoemd werden. Zelfs de aanhef van de Troonrede, ‘Leden der Staten-Generaal’, is al in 1977 aangepast naar ‘Leden van de Staten-Generaal’.

Update 19/09 14.00: Dit artikel is aangevuld met de Troonrede van 2017.