Strijder van een onafhankelijk Papoea die nooit premier werd

Nicolaas Jouwe (1924-2017),

Na bijna 50 jaar ballingschap keerde hij terug – op Indonesisch grondgebied

Nicolaas Jouwe in 1979 tijdens een persconferentie in Den Haag Foto ANP

„Voorouders gegroet. Ontvang mij. Maak me sterk en vergezel mij.” Met deze woorden kwam Nicolaas Jouwe in 2009 na bijna 50 jaar ballingschap op Papoea Nieuw Guinea aan. De strijder voor een onafhankelijk Papoea overleed zaterdag op 93-jarige leeftijd in zijn woonhuis in Jakarta.

In 1924 werd hij geboren in Kayu Pulau, een paaldorp aan de kust. Na een vissersopleiding volgde een bestuursopleiding. Met een kamponghoofd als vader en „een goed stel hersens” was hij voor de Nederlandse kolonialen de ideale man om de eerste premier worden van een onafhankelijk Papoea. De eerste aanzetten daartoe werden gegeven in 1961, toen hij vicevoorzitter werd van de Nieuw-Guinea Raad. Decennia daarvoor had hij zich al ingespannen voor het nationaal bewustzijn onder de Papoea’s en was hij bezig met een onafhankelijkheidsstrijd.

Wat hij voor zich zag, verwoordde hij na de gewelddadige onafhankelijkheid in Congo als volgt: „Een vlammend nationalisme is niet voldoende om onze zelfstandigheid te eisen. Maar ook een zelfstandigheid die wordt veroverd op grond van economische kracht alleen is niet ideaal”, citeert NRC-redacteur Dirk Vlasblom in zijn boek Papoea, een geschiedenis.

Tot de laatste snik

Ondanks die plannen zou hij nooit de eerste premier worden. De afspraken met de Nederlanders bleken niets waard. In oktober 1962 besloot de Veiligheidsraad dat Nederland zijn kolonie moest overdragen, waarop Papoea een jaar later Indonesisch werd. De vlag, de Morgenster, die symbool stond voor een onafhankelijk Papoea, werd opgevouwen en zou niet meer gehesen mogen worden. Jouwe ging in ballingschap en kwam in een rijtjeshuis in Delft terecht. Bijna een halve eeuw bleef hij een politieke vluchteling. „Het volk geeft niet op, het volk gaat door. Tot de laatste snik. Het is een zaak van leven of dood”, liet hij de pers vlak na zijn vertrek weten.

Lang hield hij vol dat hij nooit zijn strijd zou opgeven, totdat in 2009 de uitnodiging kwam uit Indonesië om te komen praten. „Al praten we duizend keer, het is beter dan geweld”, stelde hij. In een documentaire, Land zonder koning, is zijn terugkeer te zien. Emoties blijven grotendeels verborgen achter de zonnebril die hij draagt. Hoe diep die zitten en hoe groot het verlangen om terug te keren is, blijkt wanneer hij per boot aankomt in zijn geboortedorp. Zang, dans en kralen vallen hem ten deel. Een dankdienst in een kerk met de naam Eben-Haëzer (‘Tot hiertoe heeft de Heer ons geholpen’) wordt de dan 84-jarige Jouwe te veel. Hij besluit zich definitief in Indonesië te vestigen.

In een interview met NRC liet hij weten dat hij de strijd niet zozeer opgaf en veel te doen had. Een onafhankelijk Papoea zat er niet in, maar hij kon zijn volk wel vooruit helpen. Het geld dat het eiland dankzij een speciale autonomieregeling kreeg, moest besteed worden aan onderwijs en gezondheidszorg, en alles wat de bevolking ten goede kwam. „Dat is de reden dat president Yudhoyono de oude Jouwe naar Papoea haalt”, zei hij toen over zichzelf. „Want dat is iemand met gezag.”