Column

Wachtruimte

Het station te Velp was lang een moeizame exercitie. Een kaal perron, altijd wind. Er was een wachtruimte, maar daarvan zat de deur op slot. De mensen pisten er anders in, soms niet eens uit baldadigheid, maar gewoon omdat er verder geen sanitaire voorzieningen zijn.

Omgerekend in tijd moeten meerdere maanden van mijn leven daar zijn weggewaaid. Er waren in het verleden dappere ondernemers die hun brood dachten te kunnen verdienen met het uitbaten van een winkeltje in dat hok. De laatste uitbater had na een paar weken al geen geld meer om zijn koffiezetapparaat te repareren.

Mooi beeld: mijn vader wachtend op mij, onder scheef hangende kerstverlichting achter een blikje Red Bull dat ze hem hadden verkocht als koffie.

Dat was alweer jaren geleden.

Het was alsof er met het heengaan van mijn vader geen basis meer was voor bedrijfsvoering. Wat ProRail ook probeerde,

‘Velp’ kregen ze niet verpacht.

Ik kwam al niet voor de lol naar Velp, maar er weggaan was ook geen pretje, dacht ik regelmatig als ik er weer eens stond weg te sterven. Het kon me niet schelen wie of dat hok ooit ging uitbaten, ik werd klant.

Vorige week was er opeens leven.

Er was een buitenlander, ‘een Syriër’ dachten ze op het perron, ingetrokken. De nieuwe uitbater had een zwarte baard en geen enkel benul van de doelgroep, of van Nederlandse regels als het rookverbod. Hij verkocht friet, middels gestencilde vellen werd de gezinszak met vier frikadellen aangeprezen, en hij had overal waterpijpen neergezet. Eigenlijk was hij gewoon een sisha-lounge begonnen, want die was er in Velp ook nog niet.

Ik als enige naar binnen, de rest van de doelgroep bleef liever in de regen staan. Er was één tafeltje, waarop twee waterpijpen stonden. Ertussenin lag een nog niet gelezen De Gelderlander van twee dagen eerder. Ik zei tegen de uitbater dat het fijn was dat hij er was, hij vroeg of ik een pijp wilde. Of friet. Ik zei dat de trein zo kwam en bestelde M&M’s.

De regen sloeg tegen het glas waar ze met hun Velpse konten tegenaan stonden. Ik wist niet of er in Velp grote behoefte was aan een shisha-lounge op het station waar je ook een gezinszak friet kunt afhalen. Of eigenlijk wist ik het wel.

De sprinter kwam. De uitbater knikte vriendelijk bij het weggaan, hij zag het misschien nog wel voor zich: al die keurige forenzen aan de waterpijp met friet.

Vanuit de trein zag ik hem de toonbank opwrijven met een doek. Hij kon maar beter bidden voor een vroege winter. Maar zelfs dan: nee, dit was er de volgende keer niet meer. Nog erger: ik weet zeker dat ik dan niet geloof dat het er ooit was.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.