Recensie

Sjos Vier volgens Gergiev grijpt bij de strot

Klassiek

De vrijdagavond van het Gergiev Festival kende muzikale openbaringen. Helaas waren de donderdag en zaterdag wisselvalliger: van ‘mwah’ tot pure magie.

Foto: Andreas Terlaak

Honderd jaar geleden is het dat Vladimir Lenin in het toenmalige Petrograd de Oktoberrevolutie uitriep. Het Gergiev Festival greep die gelegenheid aan om zijn 22ste editie (net als voorgaande jaren goed voor circa twaalfduizend bezoekers) te wijden aan werk van de Russische avant-garde.

Vrijdag werd dat thema breed aangevlogen met onder meer de Nederlandse première van Boris Tisjtsjenko’s balletmuziek De Twaalf (1963). Voor zijn aanklacht tegen het Stalinisme zet Tisjtsjenko stevig orkestraal geschut in, orgel incluis. Het stuk bleek vooral een reeks korte karakterschetsen, waarin het ‘burgertje dat zijn neus snuit’ wordt getekend (fagot, helaas) of ‘Wanja die sjanst met een dom gansje’ (accordeonkwartet).

Toch is de partituur nergens karikaturaal en een paar effecten (doedelzakgeluid van fluisterzachte violen-non-vibrato met één hoorn) waren openbaringen. Wat domineerde was het besef dat het Gergiev Festival mede zijn bestaansrecht ontleent aan het afstoffen van stukken als deze: op muzikale merites net geen canonwerken, maar wel pregnante en veelzeggende echo’s van een era.

Waar Tisjtsjenko aan de goede kant van de streep stond, zou Prokofjevs Cantate voor de 20ste verjaardag van de Oktoberrevolutie (1937) de vraag op kunnen roepen of dit soort pure Sovjet-propaganda met roffellaarzen en zoemend massakoor belegen genoeg is om sans gêne als festivalattractie te kunnen dienen. Maar uiteindelijk culmineert het stuk in een hellebad aan extatische decibellen die weinig anders kunnen dan op de lachspieren werken, en maakte een fel oplichtende rode schijnwerper dat effect compleet. Muzikaal is en blijft het stuk zeer imposant, met dank ook aan het uitstekend spelende orkest, het opvallend goede en frisse Rotterdam Symphony Chorus en Gergiev zelf.

Trailer van het festival.

Programmatisch én praktisch gewaagd was de keuze voor Gavriil Popovs omvangrijke en eclectische Kamersymfonie uit 1927. Met een bezetting van slechts drie strijkers en vier blazers vroeg je je van tevoren af waarom Gergiev er als dirigent aan te pas moest komen. Het stuk bleek echter zodanig complex dat je je na afloop vooral verwonderde over de graad van verfijning die door de musici ondanks korte repetitietijd (Gergiev vloog woensdagnamiddag in) nog werd bereikt.

Wisselvalliger was het openingsconcert (donderdagavond) dat varieerde van pure magie tot brokkelige passages met een fragiele klankbalans. Magistraal was Gergievs interpretatie van Skrjabins Le poème de l’extase, waarin hij afgewogen timbremengsels op de vierkante centimeter liet opgaan in een dwingende macro-architectuur van steeds luider aanzwellende climaxen. Met zijn baton als drietand stuwde hij het orkest op tot machtige klankgolven die hij op het punt van omslaan met zwabberhand liet wegvloeien in kristalheldere poeltjes van fonkelfluiten, dwarrelstrijkers en tinkelend celesta.

Opmerkelijk: in Stravinsky’s Le sacre du printemps vonkte het minder tussen orkest en Sacre-specialist Gergiev. Fraaie passages (geprononceerde fraseringen in de inleidende kwettervolière, een messcherpe Danse de la terre) konden niet verhinderen dat de toch al mozaïekachtige partituur soms verkruimelde tot los zand.

Foto Andreas Terlaak

Aan energie en ritmische accuratesse schortte het niet, wel aan dynamisch evenwicht. Door een combinatie van broze strijkers en dominant koper en slagwerk kreeg de klank maar zelden de aardse onverzettelijkheid waar een Sacre zo van opknapt. Ook jammer: de gelijktijdige soundcheck van het Rembrandt Frerichs Trio in de foyer, waardoor Stravinsky’s heidense maagd haar offerdood tegemoet danste op het swingende ploink-ploink van een walking bass.

Vaste prik bij het Gergiev Festival is een concert van het Mariinsky Orkest. Zaterdagavond secondeerde het strijkerscorps van het gezelschap een uitstekend spelende Alexei Volodin in een wisselende uitvoering van Sjostakovitsj’ Eerste pianoconcert.

Sterk: het langzame deel, waarin Volodin met een tastend toucher gevarieerde fluisternuances uit de toetsen masseerde, terwijl Gergiev de mahleriaanse ondertonen van het deel knap uitlichtte. Mwah: de wollige klankprojectie in de snelle hoekdelen, waardoor Volodins watervlugge spel herhaaldelijk kopje onder ging. Bestond in het eerste deel nog het vermoeden dat de verraderlijke akoestiek van de Grote Zaal tegenwerkte, in het slotdeel bleek uit rommelige montages dat ook de muzikale focus niet optimaal was.

Een bij de strot grijpende uitvoering van Sjostakovitsj’ Vierde symfonie maakte veel goed. Gergiev slingerde het publiek met gebeitelde tempowisselingen heen en weer tussen extremen: striemende hoge registers, gapende afgronden in de laagte, onderhuids broeiende fluisterpassages en ijzingwekkende tutti’s.

Kenmerkend voor Gergievs ijzeren greep op de grote lijnen: de subliem opgebouwde fuga in het eerste deel, waarin een handjevol gonzende strijkers onafwendbaar aanzwol tot een neurotische angstdroom voor ontketend orkest.