Column

Pensioen: de nieuwe ongelijkheid

Je kan veel zeggen over Hans Spekman, maar zijn geest leeft. In 2012 zei de voorzitter van de PvdA, net na het aantreden van het kabinet Rutte-Asscher: „nivelleren is een feest”. Dit tot grote ergernis van kersverse regeringspartner VVD. Vijf jaar later is het feest van Spekman nog altijd bezig.

Dat bleek deze week nog maar eens uit een CBS-studie naar de inkomensongelijkheid in Nederland tussen 2001 en 2015. Of de economie nou bloeit of in crisis verkeert, of de bevolking nou vergrijst of niet, Nederland blijft wat inkomens betreft een gelijk land.

Waarom? Omdat de overheid steeds meer inkomen herverdeelt. De ongelijkheid in het primaire inkomen, het inkomen voordat de overheid zijn belastingen en premies heft, nam namelijk opvallend genoeg in die veertien jaar wél toe. Onze overheid corrigeert die toenemende inkomensongelijkheid door meer belastingen en premies te heffen en door vervolgens meer (AOW-)uitkeringen uit te delen.

De PvdA is in eindeloze relatietherapiesessies met kiezers, columnisten en leden verweten zijn ziel te hebben verkocht aan de neoliberale ideeën van de VVD. Spekman stopt binnenkort als partijvoorzitter. Maar zijn grapje uit 2012 is gewoon keihard werkelijkheid geworden.

Toch is met deze statistiek niet het hele verhaal over ongelijkheid verteld. Want er lijkt op een andere manier ongelijkheid te ontstaan tussen veel- en weinigverdieners, tussen hoog- en laagopgeleid. Die ongelijkheid kun je grofweg als volgt samenvatten: voor laagopgeleiden neemt de onzekerheid toe en het sociale vangnet af. Voor hoogopgeleiden geldt eerder het omgekeerde.

De meest prangende illustratie van dit verschil tussen laag- en hoogopgeleiden zie je bij de verhoogde pensioenleeftijd. Bedrijfsartsen waarschuwden begin dit jaar dat veel mensen met een lage opleiding en zwaar werk (fysiek zwaar of op onregelmatige tijden) moeite hebben om door te werken tot de pensioenleeftijd. Én ze hebben na hun zestigste meer last van kwalen dan hoogopgeleiden. Dat probleem wordt nog groter – de pensioenleeftijd stijgt straks nog verder.

De (gemiddeld) fittere hoogopgeleide kan desondanks eerder met pensioen, want zij kunnen zich dat permitteren, constateerde Raymond Montizaan van onderzoekscentrum ROA in juni. Lageropgeleiden werken op dit moment zelfs een jaar langer door dan hoogopgeleiden. „Onder mensen met een lage sociaal-economische status” is de pensioenleeftijd het hardst gestegen, schreef Montizaan in economenvakbladESB.

Dat is een wrange constatering: de mensen die het gezondst kunnen doorwerken, gaan het jongst met pensioen. Montizaan maakte dit grote verschil in gezondheid duidelijk met de volgende cijfers: de leeftijd waarop mensen gemiddeld genomen gezondheidsklachten krijgen, ligt bij lageropgeleiden op 53 jaar, bij hogeropgeleiden op 72.

Zo is de sociale zekerheid natuurlijk niet bedoeld. Er dreigt een stapeling van onzekerheid bij mensen die het al niet breed hebben. Lageropgeleiden hebben bijvoorbeeld vaker flexwerk. En er zijn gekkigheden in de sociale zekerheid. Zo maakt een timmerman minder kans op een arbeidsongeschiktheidsuitkering dan een piloot, als ze beiden nog wel ander werk kunnen verrichten. De toekenning van die uitkering is namelijk afhankelijk van de inkomensval die een werknemer maakt in die andere baan – zo staat in de wet. Mensen die weinig verdienen, kúnnen er niet veel in inkomen op achteruit gaan in andere banen. En dus maken ze minder snel kans op de uitkering.

Bij dit alles zijn honderdduizend kanttekeningen te maken, maar laten we één ding afspreken: het vangnet is er voor mensen die het anders echt niet redden, niet voor mensen die het bovengemiddeld goed hebben.