Column

De student als Marokkaanse jongere

Bij het horen van de term ‘Aso-wet’ dacht ik meteen aan buurten. Wat raar, dacht ik verder, want Amsterdam heeft vrijwel geen asobuurten meer. Een vruchtbare combi van welvaartsstijging en overheidsmaatregelen heeft de stad zo goed als verlost van het verschijnsel achterbuurt. Gevreesde volkswijken als de Jordaan zijn opgeknapt, gesaneerd en veryupt. Binnen de ring zijn ook in de zo lang verloederde Indische buurt en De Baarsjes drugsdealers in grote mate verdreven door Starbucks en moeders met bakfietsen. Het gaat almaar verder. Zelfs de Kolenkitbuurt is niet meer wat het geweest is – een rondwandeling van ex-treitervlogger Ismael Ilgun door de voormalige achterbuurt deed hem stomverbaasd „hé, wauw!” roepen bij het zien van al die strakke en schone nieuwbouwstraten in West.

En ja, ook buiten de ring in Nieuw-West en Zuidoost wint de controle het van chaos, winnen arbeid en ‘meedoen’ het van armoede en zwerfvuil. Natuurlijk beïnvloeden deze veranderingen de mentaliteit van de bewoners. Zij worden netter en gevoeliger. De sensitieve burgerman (m/v) stoort zich aan toeristische rolkoffertjes, aan bootjes in de grachten, aan Nutellawinkels.

De oude Amsterdammer zou hebben gelachen om zulke ‘overlast’; de nieuwe mailt boos naar de gemeente. Vandaar die Aso-wet: de strijd wordt niet ingezet tegen buurten, maar tegen buren. Echt waar. En de ergste buren zijn de studenten. Gék wordt de burgerman ervan. Die jongelui doen maar raak, ze zetten een bank op de stoep en gaan daar zomaar overdag op zitten bierdrinken. Ze spelen muziek af bij het open raam en soms zingen ze er ook nog bij. ’s Avonds houden ze onaangekondigd feesten. ’s Nacht zit de Nieuwe Amsterdammer voorzien van streepjespyjama rechtop in zijn bed als de luchttrillingen van kotsende studenten zijn slaapkamer binnendringen.

De Aso-wet is in onze keurige hoofdstad nu ook van toepassing verklaard op huiseigenaren. Je kon erop wachten. De vroegere aso die uit zijn huurwoning kon worden gezet is nu een student in het huis van zijn of haar ouders: speciaal aangeschaft voor zoon- of dochterlief om samen met een stel jaargenoten eens lekker de beest uit te gaan hangen. De burgerman eist paal en perk aan deze wildgroei. Al die studenten die opstappen na voltooiing van hun opleiding en dan worden opgevolgd door nieuwe studenten: dat kán toch niet? Ze gebruiken allemaal vieze woorden en soms bedrijven ze ook nog – het moet niet gekker worden – de liefde. Wat heet, ze doen dat wel eens hoorbaar.

In de vernetting van Amsterdam komt het gebral van de corpsbal vanzelf bovendrijven. Hij irriteert zijn omgeving met zijn onaangepast gedrag. Hij drinkt en feest zonder vergunning. Met zijn jasje-dasje plaatst hij zich buiten de burgermaatschappij. Zijn dispuutshuis geldt als een oord van verderf. Is het toeval dat je bij het begin van het studiejaar zo weinig hoort klagen over Marokkaanse jongeren en zoveel over studenten? Misschien wel niet, en is de student de nieuwe Marokkaan. Hij moet oppassen. Het offensief is gestart.

Auke Kok is schrijver en journalist.