Column

Bedelfuik

Toen Rotterdam nog een akelige kutstad was, moest je je bij Centraal Station dagelijks door een haag van bedelende junkies worstelen. Vaak begon het al in de trein met een ‘zingende’ of ‘dichtende’ verslaafde die je met zijn priemende, holle ogen tot een ‘donatie’ dwong. En als je dan nog steeds munten over had, dan werden die op het Stationsplein of op de Mauritsweg wel van je afgetroggeld. Je kon er simpelweg niet omheen. En het was niet eens uit medelijden of mededogen dat ik ze geld gaf, maar vooral door mijn gebrek aan assertiviteit en geloofwaardige smoezen. Er waren in die tijd namelijk nog geen pinautomaten of mobiele telefoons, dus je kon niet doen alsof je druk telefonerend voorbij liep of ze afschepen met het verhaal dat je geen contant geld op zak had. Dus gaf ik ze een gulden of rijksdaalder en hoopte er even vanaf te zijn. Pas toen Perron Nul (de gebruikersruimte naast CS) werd gesloten, de heroïne godzijdank weer uit de stad verdween en een bedelverbod werd ingesteld, werd het leven in de binnenstad een stuk relaxter. Bedelende junks zijn tegenwoordig een zeldzaamheid en de ‘gecertificeerde’ Straatkrant-verkopers die daarvoor in de plaats kwamen, zijn minder opdringerig en zelfs een soort buurtknuffels geworden. Toch ontwijk ik ze liever (inderdaad, door zogenaamd druk te telefoneren) en weet dat er voldoende ‘buurtvrienden’ zijn door wie ze in leven worden houden. De Straatkrant-verkoper bij onze Albert Heijn bijvoorbeeld (die zich iedere ochtend met een klapstoeltje en thermosfles voor de ingang installeert) is altijd druk met praatjes maken en boodschappentassen sjouwen voor oude vrouwtjes. De buurt is dol op hem en stopt hem (vooral tijdens kerst en de hamsterweken) allerlei extraatjes toe.

Wat zij niet weten – en ik wél denk te weten – is dat hij een ouderwetse junk is, althans, dat meen ik te zien aan zijn postuur, holle ogen en schichtige motoriek. Ik zeg hem vriendelijk gedag, maar heb nog nooit een krantje bij hem gekocht. Hij heeft zich daar kennelijk bij neergelegd, want dringt nooit aan en groet mij beleefd terug. Nee, van hem heb ik geen last. Wel moet ik me bij de ingang van diezelfde supermarkt tegenwoordig door een haag van weer een heel ander soort ‘bedelaars’ zien te worstelen. Een fuik van opdringerige jongens en meisjes die me groene stroom, een donatie aan de kankerbestrijding of een telefoon- of krantenabonnement proberen op te dringen. En zie die kuitenbijtertjes maar eens van je af te schudden, want ze zijn nog veel agressiever en doortrapter dan de vroegere junkies. Zelfs mijn truc met de telefoon werkt niet, want ze lopen gewoon mee tot aan je fiets of auto. Zeggen dat je al een krantenabonnement en groene stroom hebt en ook al jarenlang een aanzienlijk bedrag overmaakt aan de Kankerbestrijding én aan Vluchtelingenwerk helpt ook niet, want dan kan het altijd nóg goedkoper of hebben ze een nog veel zieliger goed doel. „Kleine kinderen met kanker mevrouw, daar heeft u toch wel een kleinigheidje voor over?” vroeg zo’n piepjonge collectant toen ik vorige week weer in die bedelfuik terechtkwam. Ik moest „helaas” meedelen dat ik geen contant geld op zak had. De collectant duwde vervolgens een pinapparaatje onder mijn neus. „Een nieuwigheidje” zei hij triomfantelijk. „En het kan eventueel nog contactloos ook.” Daar sta je dan. Ik had natuurlijk kunnen zeggen: „Wegwezen hier allemaal, val me niet langer lastig, want ik bepaal graag zelf waar, wanneer, hoe en aan wie ik mijn geld geef!” Maar ik zei het niet. Wel nam ik per direct een abonnement op de AH-boodschappenservice.

(@mirjamdewinter) is freelance journalist en stadsgids in Rotterdam.