Opinie

Maak van een standbeeld een schandpaal

Met het verwijderen van standbeelden en namen vegen we alleen onze stoep schoon, schrijft kunstenaar . Hij pleit voor een herintroductie van de schandpaal. „Tussen eren en onteren zit precies de ruimte om onbevangen de geschiedenis te aanschouwen.”

Generaal Van Heutsz tijdens een gevecht in Batè Ilië, Nederlands-Indië, 3 februari 1901. Foto Hollandse Hoogte

Het Witte de Withplein in Amsterdam-West dat ik in 2013 mocht ontwerpen dankt zijn naam aan de lange Witte de Withstraat. Daaruit moest één blok woningen plaats maken voor een nieuw gebouw met een plein. De architect toonde een computer-gesimuleerde foto van zijn gebouw aan een zonovergoten plein met een grote, groene boom en een terras vol zomers geklede, witte mensen. Met veel moeite photoshopte ik alle leugens uit dit idyllische plaatje, waarna er een pieterig kaal boompje op een druilerige maandagochtend en een stel allochtone hangjongeren overbleef.

Ik kwam ermee weg door stevig in te zetten op het feit dat we de geschiedenis van dit nieuwe pleintje moesten aanvangen met waarheid, niet met leugens. Geschiedenis heeft het al zo moeilijk, ze wordt immers voortdurend gekneed in de vorm die het beste uitkomt.

We kunnen van alles met geschiedenis uitspoken, behalve ons ervan ontdoen

Ondanks mijn scherpe blik op de sociale verhoudingen associeerde ik de straatnaam Witte de With eerder met het kunstinstituut Witte de With in Rotterdam dan met de oude zeeheld, laat staan met zijn wangedrag.

Nu wil Witte de With – het kunstinstituut – zijn naam veranderen om niet meer geassocieerd te worden met de koloniale uitbuiting waar de zeventiende-eeuwse admiraal Witte de With mede verantwoordelijk voor was. Naast het voeren van zeeslagen en het samen met Piet Hein binnenhalen van de Zilvervloot, was hij ook berucht om zijn wreedheid, verantwoordelijk voor het platbranden van kruidnagelplantages en betrokken bij slavenhandel.

Witte de With was bij zijn oprichting in 1990 vernoemd naar de straat waarin het is gehuisvest, werd als centrum voor hedendaagse kunst een begrip en verdiepte zich een kwart eeuw lang verder niet in Witte de With maar in kunst. Noch de toenmalige directeur Chris Dercon, noch zijn opvolgers, Catherine David en Nicolaus Schafhausen – toch zeer maatschappelijk betrokken Witte de With-directeuren – hebben zich deze blinde vlek, zoals het nu wordt genoemd, gerealiseerd. Dat het instituut zich nu met historisch bewustzijn verrijkt en zichzelf aan zelfreflectie onderwerpt, is een goede stap vooruit. Het onderzoek op grond waarvan het zijn naam nu wil veranderen verdient op zich alle waardering. Het past ook in deze tijd waarin identiteitsliberalisering steeds vaker op de agenda staat, en waarvoor postkoloniaal onderzoek uiteraard onontbeerlijk is. Kunstinstellingen (althans de goede) nemen hun eigen geschiedenis onder de loep en willen hun praktijk ontdoen van koloniale ‘blinde vlekken’.

Een nobel streven dat tegelijk lastig is, omdat dit zich onvermijdelijk toch weer binnen een witte doctrine afspeelt en daaraan zal gehoorzamen. Men is fanatiek aan de zelfreiniging begonnen, maar duidelijk gaat dat niet zover dat de eigen aanstelling en kunstcollectie wordt afgestaan aan degenen die aan de goede kant van het koloniale verleden staan. Terwijl dat in theorie eenvoudig is en consequent zou zijn. Ook de dekolonisatie van het kunstinstituut vindt plaats in wit uniform met tropenhelm. Bovendien draagt een nauwkeurig op het instituut afgestemde retoriek – het is op eieren lopen – er meestal niet toe bij dat het debat verder reikt dan daar. In die spagaat worden vooral anderen de maat genomen, wordt het gesprek vaak hysterisch en de zaak dan contraproductief. We zien de kwestie dan meestal ook in extreme vormen naar buiten komen.

Er vindt thans zelfs een mini-beeldenstorm plaats, waarin je ook de naamsverandering van Witte de With moet zien. Koloniale teksten worden gekuist, zoals in het Rijksmuseum. Het Tropenmuseum wil de collectie tribale kunst goeddeels uit het zicht gaan halen. In de VS worden aan slavernij gelinkte standbeelden inmiddels van hun voetstuk getrokken, zoals onlangs vier standbeelden in Baltimore die de Confederale Staten uit de Amerikaanse Burgeroorlog herdenken. Andere werden preventief verwijderd, zoals alle ‘pro-slavery era’ gedenktekens in New Orleans. Na de opstoot onlangs in Charlottesville wordt ook daar het standbeeld van generaal Robert. E. Lee verwijderd.

Maar ook kunstenaars krijgen er van langs. Jimmy Durham ligt onder vuur omdat hij altijd heeft beweerd Cherokee-bloed in de aderen the hebben maar nu blijkt van Texaanse afkomst te zijn. Sam Durant gaat met gebogen hoofd zijn kunstwerk Scaffold (2012) verbranden, dat weliswaar een aantal Amerikaanse publieke ophangingen bekritiseert, maar desondanks de woede van Dakota-nazaten wekt omdat het met hun geschiedenis solt. Het laatste nieuws is dat het een begrafenis wordt in plaats van een crematie.

We kunnen van alles met geschiedenis uitspoken, behalve ons ervan ontdoen

We knokken wat af met de geschiedenis als strijdwapen. Je kiest een geschiedenis die je aangaat en slaat er een ander mee om de oren. We kunnen inderdaad van alles met geschiedenis uitspoken, behalve ons ervan ontdoen. Koloniale geschiedenis ís er, of je het wilt of niet. Ook het ‘westerse kunstinstituut’ heeft een koloniale geschiedenis. Jammer misschien, maar waar. Witte de With zegt niet geassocieerd te willen worden met de geschiedenis van Witte de With, maar eigenlijk wil het instituut zijn stoep schoonvegen, zichzelf geschiedenisneutraal maken. Het kunstencentrum zou consequenter moeten zijn en doet er beter aan te dealen met het koloniale verleden dan er niet mee geassocieerd te willen worden. Een vervelend gevolg van de naamsverandering is bovendien dat anderen in de Witte de Withstraat die geen stelling nemen impliciet de boodschap krijgen zich wel met foute koloniale praktijken te willen associëren; hetzelfde riedeltje als in de Zwarte Piet-discussie.

Het lijkt mij op zichzelf niet zo’n punt dat het kunstencentrum zijn naam verandert, maar het zou jammer zijn als het dan vergeet dat het daarvoor Witte de With heette en waarom dat ontoelaatbaar werd geacht. Het zou jammer zijn als de domme zeeheld alle blaam treft en het kunstencentrum verder zonder zelfreflectie opstoomt naar de volgende trend.

In een Brusselse galerie zag ik afgelopen weekend de half Franse half Kameroense kunstenaar Dimitri Fagbohoun zijn werk met grote plastische letters op de muur aanprijzen als NEGERKUNST. Als ‘transcultureel’ is het naar zijn zeggen belangrijk om te refereren aan het boek Negerkunst van Max Bill uit 1932. Ik denk dat Witte de With beter zijn naam nog even kan aanhouden omdat die er wellicht aan helpt herinneren dat er nog veel is in dit genre om over na te denken.

Maar ook de patriotten van Leefbaar Rotterdam zouden wel eens een beetje aan zelfreflectie mogen doen. Zij vinden dat de subsidie onmiddellijk moet worden gestopt omdat het kunstencentrum geen cent respect toont voor onze nationale geschiedenis, dus misbruik maakt van belastinggeld. Immers, bij de opening van het Witte de With-jaar in 2008 noemde burgemeester Ivo Opstelten Witte nog een ‘Rotterdammer om trots op te zijn’, die in de Nederlandse geschiedenis een opwaardering moest krijgen om vooral toeristen te trekken. Voor een politieke partij die zich zo sterk maakt voor de nationale geschiedenis zou het ontoelaatbaar moeten zijn om de oude kapitein louter in dit soort Peter Pan-commercials te laten dobberen. Als je Dubbelwit, zoals hij in zijn tijd werd genoemd, serieus neemt, dan zie je ook de vlekken op zijn blazoen.

Nu we de nationale geschiedenis belangrijker schijnen te gaan vinden, moeten we haar ook eens onder ogen durven zien. Dat wordt lastig naarmate ze met sprookjes wordt verminkt of vanwege controverses uit musea en het straatbeeld wordt verwijderd. Het is een vreemde paradox dat naarmate we de geschiedenis steeds belangrijker vinden we er steeds minder van willen zien. Als straatnamen en standbeelden verwijderd zijn, herinnert in de publieke ruimte weinig meer aan het koloniale verleden dat we juist niet willen vergeten.

Het probleem is natuurlijk dat de straatnamen en standbeelden in ere zijn aangebracht. Eretekens, opgericht of aangebracht om associaties te sturen, denken te manipuleren. Naarmate ideeën veranderen, het morele tij zich keert ten aanzien van personen of gebeurtenissen, wordt het eren problematisch maar het herinneren des te belangrijker. De herintroductie van de schandpaal zou hier uitkomst kunnen bieden, als tegenhanger van het standbeeld. Niet letterlijk maar als concept, als model, om mee te denken, te praten en te schrijven. Tussen eren en onteren zit precies de ruimte om onbevangen de geschiedenis te aanschouwen. Traditioneel zijn schandpalen vaak even mooi als monumenten, en vaak blijkt dat standbeeld en schandpaal in de loop van de tijd elkaars gedaante aannemen.

Met kromme tenen kijk ik regelmatig naar het Monument Indië-Nederland op het Olympiaplein in Amsterdam. Een prachtig monument dat in 1935 werd opgericht en sinds 2004 herinnert aan de relatie tussen Nederland en Indië gedurende de periode 1596- 1949. Dwars door deze idylle heen doemt altijd het spook van gouverneur-generaal Joannes Benedictus van Heutsz (1851-1924) voor wie het monument was opgericht maar dat in 2004 werd uitgegumd. Een bordje aan de achterzijde vertelt wel dat het eerder aan hem was opgedragen, maar het monument wil niet meer dat ik kan associëren met een koloniale geschiedenis, waarin Van Heutsz meer ellende veroorzaakte dan Witte de With in zijn tijd en daar ruim een halve eeuw voor is geëerd. Maar ik wil juist wel herinnerd worden aan de geschiedenis van Van Heutsz (de slachter van Atjeh) en de ruimte hebben om hem te onteren voor zijn wandaden.

Vandaar dat ik een voorstel doe om de naam Van Heutsz en zijn portret weer aan te brengen en het monument de kans te geven als nationale schandpaal te herinneren aan een onverkwikkelijke episode in de koloniale geschiedenis. Om emancipatoire reden dus. Als de schandpaal van Van Heutsz zich als begrip in het nationaal bewustzijn nestelt is een uitlegbordje aan de achterzijde niet eens nodig. Ik hoop op support, uiteraard in het bijzonder van kunstencentrum Witte de With.