Recensie

Klimaatverandering is een zaak van politici, kunstenaars en schrijvers

Terwijl orkaan Irma nog haar verwoestende pad achterlaat, beschouwt de Indiër Amitav Ghosh hét probleem van onze tijd: de klimaatverandering. Waarom verschijnen daar zo weinig romans over?

Illustratie Veronique de Jong

Na afloop van de grote klimaatveranderingsmars in New York, in 2014, zag de Indiase schrijver Amitav Ghosh een tv-interview met een prominente activist. ‘De houding van de interviewer was als die van een priester die een wispelturige parochiaan ondervraagt’, noteert Ghosh fijntjes. Wat heb jíj opgegeven voor de klimaatverandering? Breng jij eigenlijk wel offers?

De activist in kwestie bleek danig ontregeld door deze aanval op zijn persoonlijke integriteit; van hem bleef niet veel meer over dan ‘verontwaardigde onsamenhangendheid’. En zijn antwoord had nog wel zo voor de hand gelegen, aldus Ghosh: dat de schaal van de klimaatverandering zodanig is dat individuele keuzes weinig verschil zullen maken, tenzij bepaalde collectieve besluiten worden genomen en nageleefd.

Maar juist op het niveau van de politiek gaat het mis, beschrijft de romancier Ghosh in zijn onlangs gepubliceerde en uitmuntend getimede non-fictie-uitstapje The Great Derangement. Latere historici zullen volgens de Indiër op deze tijd terugkijken als ‘De Grote Ontsporing’: hoe kregen de inwoners van de aardbol aan het begin van de 21ste eeuw het toch voor elkaar om dat ene allergrootste, levensbedreigende probleem zo hartstochtelijk te negeren? Zagen ze het dan écht niet aankomen?

Zelden werd die klimaatinertie bij politici zo vilein beschreven als door Ghosh. Hij bespreekt het klimaatverdrag van Parijs niet, hij fileert het. De verdragstekst, schrijft hij, ‘is als een glinsterend scherm, opgezet ter verberging van impliciete dealtjes, onuitgesproken overeenkomsten en mazen die alleen zichtbaar zijn voor hen die het kunnen weten’. Het ergste is, aldus Ghosh, dat het akkoord verzuimt om te benoemen hoe het zover heeft kunnen komen met de onomkeerbare opwarming van de aarde. Zonder de diagnose dat onbeperkte groei niet mogelijk is, komt er natuurlijk nooit iets terecht van welke oplossing dan ook.

Vergeleken met andere klimaatalarmisten is de aanpak van Ghosh hoogst origineel. Het boek komt voort uit het onvermogen dat hij bespeurt, bij hemzelf net zo goed als bij andere schrijvers, om hét thema van onze tijd in literatuur te vangen. Schrijvers, constateert hij, engageren zich met talloze -ismes – feminisme, postkolonialisme – maar doen, net als de meeste politici, alsof klimaatverandering niet bestaat. Overigens benoemt Ghosh ook de uitzonderingen, zoals je in Nederland zou kunnen wijzen op de bejubelde klimaatroman Het tegenovergestelde van een mens van Lieke Marsman.

Denk trouwens niet dat Ghosh een boek over het klimaat heeft geschreven; dat zou hem geen recht doen. The Great Derangement is bijvoorbeeld net zo goed een boek over de romankunst. Hij constateert dat de roman in de voorbije twee eeuwen steeds meer op individuele beslommeringen gericht is geraakt, en dat dit gelijke tred houdt met de mate waarin de mens de aarde naar zijn hand heeft gezet. We zijn zo ontzettend met onszelf bezig dat non-humane zaken als natuurkrachten buiten beschouwing zijn geraakt. Zo blijven we maar bouwen in laaggelegen gebieden aan zee. Ons kan toch niets overkomen.

Voor zover er in de voorbije eeuw al over het non-humane geschreven werd, was dat volgens Ghosh ‘niet binnen het herenhuis van de serieuze fictie, maar in de buitengebouwen waar sciencefiction en fantasy naartoe verbannen waren’. Toen Mary Shelley twee eeuwen geleden haar boek Frankenstein publiceerde, werd het onthaald als een groot literair werk. Tegenwoordig zouden we het waarschijnlijk niet eens meer onder het kopje ‘literatuur’ bespreken.

Illustratie Veronique de Jong

Tornado

Zelf ondervond Ghosh de macht van de natuur in 1978, toen hij in Mumbai ternauwernood kon schuilen voor een toen nog uiterst zeldzame tornado die door de straten raasde. Sindsdien heeft hij geprobeerd om deze ervaring onder te brengen in een van zijn romans, maar dat lukt hem steeds maar niet. Zijn verklaring hiervoor is elegant: de moderne roman is een afspiegeling van hoe het burgerlijke leven echt is – van het gewone, het saaie, het reguliere. Je kunt als schrijver best zo’n wervelwind in je plot opvoeren, maar dikke kans dat dat beschouwd zou worden als ongeloofwaardig. Een noodgreep. Zelfs als het echt gebeurd is.

Daarom heeft hij het maar opgeschreven als non-fictie, en dat is absoluut geen straf. In meesterlijke zinnen verknoopt Ghosh de klimaatverandering met literatuur, politiek, economie, geschiedenis en geologie – waarbij zijn Aziatische blik onmisbaar is. Zijn stellingen zijn doorspekt met talloze voorbeelden uit de wereldliteratuur, waarbij volstrekt terloops ook Indiase en Chinese auteurs worden genoemd. Zo verbindt hij de spookverhalen van Charles Dickens met die van Rabindranath Tagore, de Indiër die, zijn Nobelprijs voor de Literatuur in 1913 ten spijt, bij ons toch wat onbekender is.

Net als Tagore komt Ghosh (1956) uit Calcutta, de miljoenenstad in de Indiase deelstaat West-Bengalen. Dit maakt dat hij ook wel enig recht van spreken heeft als het op klimaatverandering aankomt. De auteur neemt ons mee naar de Sun- darbans, de grootste mangrovebossen ter wereld, in de rivierdelta van de Ganges in India en Bangladesh. Hier leven de bewoners al eeuwen met de mysterieuze natuurkrachten die hun oevers wegslaan en die hen zo nu en dan oog in oog zetten met een tijger. En nu zullen zij als eerste aan de beurt zijn als de wereldwijde CO2-uitstoot niet beteugeld kan worden. Ghosh heeft een goed oog voor de ironie van de situatie: de eerste klimaatslachtoffers zijn uitgerekend mensen die zich maar al te bewust zijn van de non-humane machten die hen omringen.

Als Aziaat weet Ghosh ook feilloos zijn vinger te leggen op het hart van het klimaatprobleem: ‘De patronen van het leven die de moderniteit veroorzaakt, kunnen alleen door een kleine minderheid van de wereldbevolking in de praktijk worden gebracht. […] Niet iedere familie in de wereld kan twee auto’s, een wasmachine en een koelkast hebben – niet door technische of economische beperkingen, maar omdat de mensheid in het proces zal verstikken.’ Het zijn vooral de middenklassegezinnen in Shenzhen en Ahmadabad die de druk op de planeet opvoeren.

Geneugten

Kun je het deze Chinezen en Indiërs verwijten dat ze ook willen proeven van de geneugten die het Westen al wat langer gewend is? Nee – en daarom bedienen klimaatactivisten zich ook van termen als ‘rechtvaardigheid’. Maar wij westerlingen weigeren iets van onze weelde af te staan. In het door Ghosh zo verguisde akkoord van Parijs staat dat klimaatrechtvaardigheid ‘voor sommigen’ belangrijk is. Dit is ‘niets minder dan een expliciete afwijzing van het concept’, aldus de auteur.

Ook al staat het akkoord verder vol met mooie woorden over CO2-reductie en alternatieve brandstoffen, Ghosh concludeert dat we van onze generatie politici niet kunnen verwachten dat ze de opwarming van de aarde kunnen tegenhouden. Maar van wie dan wel? Ik denk dat Ghosh een fout maakt wanneer hij stelt dat individuele inspanningen zinloos zijn. De aan het begin van dit stuk aangehaalde activist had van klimaatverandering geen ‘morele kwestie’ mogen maken, aldus Ghosh: dit geeft klimaatontkenners munitie om zijn motieven in twijfel te trekken. Deze redenering is te kort door de bocht. Als individuen zich al willoos overgeven aan de krachten die onze planeet op termijn onherkenbaar zullen veranderen, dan kan het van politici immers al helemaal niet verwacht worden.

De toekomstige generaties die op de Grote Ontsporing terugkijken, zullen volgens de auteur uiteraard de wereldleiders van nu verantwoordelijk houden voor hun onvermogen om de klimaatcrisis te adresseren. ‘Maar ze zullen wellicht kunstenaars en schrijvers even schuldig achten – want de verbeelding van mogelijkheden is, tenslotte, niet de taak van politici en bureaucraten.’