Cultuur

Interview

Interview

ANP / Koen van Weel

Wie wil er nog bij de politie?

Berichten over rampspoed bij de Nationale Politie domineren het nieuws. De voorzitter van de Centrale Ondernemingsraad bestelt met geld van de politie 198 flessen prosecco. Een Amsterdamse commissaris wordt strafrechtelijk vervolgd. Er zijn corruptieproblemen. Hoe hou je het als agent vol in deze organisatie? Een gesprek met drie ervaringsdeskundigen. „Laten we niet blijven zeiken over wat er niet goed is.”

Wijkagent Karin de Groen. Foto Lars van den Brink

‘Ik denk dat de media gelijk hebben met hun berichten’

In de schoolkrant schreef de Rotterdamse wijkagent Karin de Groen (45) al dat ze later ‘bij de pliesie’ wilde.

Karin de Groen (Rotterdam, 1972), wijkagent in Spangen, zegt het ’t liefst in gewone straattaal. „Ze maken mij de pis niet lauw’’. Ja, er zijn veel affaires bij de politie en er gaan sinds de reorganisatie te veel dingen mis, maar niets en niemand krijgt haar aan het wankelen. „Het politievak is en blijft het mooiste beroep ter wereld.”

De 1.58 meter lange De Groen is een onverschrokken ambassadeur van het politievak, dat ze al 26 jaar uitoefent. In de schoolkrant van de lagere school kondigde ze al aan dat ze later „bij de pliesie” zou gaan werken. Daar verdiende haar moeder ook de kost, op de typekamer van het Rotterdamse hoofdbureau Haagseveer. Na de havo ging De Groen aan de slag bij de Rotterdamse gemeentepolitie en nu is ze al tien jaar wijkagent. Ze doet graag verslag van haar werk op Facebook (2.062 vrienden), Instagram (1.400 volgers) en Twitter (4.696 volgers). „Het is fijn om te kijken hoe je samen met de burger en de gemeente, scholen, bedrijven en maatschappelijke instanties de wijk schoon en veilig kan krijgen.”

Tot zover het goede nieuws. Want door „alle dingetjes” van de laatste jaren is er „absoluut veel” veranderd, zegt De Groen. „Het kleine wijkteam waarbij je altijd met dezelfde mensen kon werken, bestaat niet meer. Vroeger kende een agent de bewoners en de lokale problemen. Maar door de komst van de nationale politie is alles heel grootschalig geworden en verliezen we de kennis die we hadden. En bewoners willen best informatie delen met de politie, maar dan moeten ze niet elke keer een ander koppie zien. De betrokkenheid verdwijnt. Dat is heel jammer.”

Je kunt niet tegen bewoners zeggen: ja er is u iets overkomen maar het is een te klein feitje voor ons

De Groen zegt dat de negatieve berichten in de media over de politie geen onevenwichtig beeld geven. „Ik denk dat media gelijk hebben. We krijgen ook verontrustende signalen uit de wijk: burgers zien minder politie op straat en vragen hoe dat zit. Burgers zeggen ook steeds vaker dat ze geen aangifte doen, „want dat heeft toch geen zin”. En zij die wél aangifte doen, krijgen nog te vaak een brief waarin staat dat de zaak niet in behandeling wordt genomen wegens een gebrek aan prioriteit. Dat hoort niet. Je kunt niet tegen bewoners zeggen: ja er is u iets overkomen maar het is een te klein feitje voor ons.”

Politiemensen zijn zelf ook ontevreden over hoe ze nu hun werk doen, zo blijkt vooral uit het eigen intranet. Daar wordt heel wat afgemopperd. Veel agenten lijken hun motivatie te hebben verloren. Tegenover het fatalisme en de negatieve stemming staan volgens De Groen nog wel genoeg onwankelbare collega’s. „Als we allemaal zouden zeggen: jongens we kappen ermee want met deze organisatie gaat het niets worden, dan hebben we een heel groot probleem. Gelukkig blijven veel agenten zeggen: de mensen buiten verwachten dat we er zijn. Laten we nou niet blijven zeiken over wat er niet goed is.”

Toch snapt De Groen niet hoe korpschef Gerard Bouman, toen hij begin 2016 opstapte, durfde te zeggen dat de verbouwing van de politie na drie jaar reorganisatie vrijwel af was. Volgens Bouman hoefden alleen nog de plinten en kozijnen te worden afgelakt. „Als ik bij aankoop een huis zou aantreffen in de conditie waarin de nieuwe korpschef Erik Akerboom de politie kreeg overgedragen, zou ik een rechtszaak zijn begonnen wegens wanprestatie. Dat irriteert ook de meeste agenten: er wordt niet naar de werkvloer geluisterd. De Nationale Politie moest en zou er komen, maar er was geen goed doordacht en concreet plan. Dat wreekt zich. We zijn nu al plannen aan het bijschaven, op lokaal niveau.”

‘De sfeer binnen de politie is explosief’

De Amsterdamse wijkagent Jack Druppers (54) ziet het chagrijn op de werkvloer toenemen.

Aan het eind van het gesprek begint Jack Druppers (Utrecht, 1962) zich enigszins te verontschuldigen. Misschien is hij wel zo kritisch over de eigen politieorganisatie, zegt hij, „omdat ik in een zure leeftijd” zit. De wijkagent uit de Amsterdamse Watergraafsmeer waarschuwt ook: geloof niet al die rampspoedberichten in de media. Sommige journalisten wekken wat al te gretig de indruk dat de echte schurken bij de politie werken.

„Er zijn kranten die het heerlijk vinden incidenten steeds op te kloppen. Journalisten beschuldigen ons van institutioneel racisme als er weer eens een donkere BN’er staande is gehouden. Alsof we de straat op worden gestuurd met opdrachten om bepaalde mensen te controleren. Van dat soort beschuldigingen word ik echt wild.”

De laatste jaren lijkt er geen einde te komen aan berichten over incidenten bij de politie. „Allemaal kwesties die ik me aantrek. Het beïnvloedt ook veel collega’s. Je ziet het chagrijn op de werkvloer toenemen. Je hebt het gevoel dat je nooit iets goed kan doen. Als ik tegenwoordig bij incidenten het publiek op afstand probeer te houden, ben ik al bij voorbaat een klootzak. Terwijl meer dan 80 procent van de collega’s nog steeds heel dienstbaar is en het beste voor heeft met de samenleving.”

Jack Druppers werkt al een kwarteeuw bij de politie. Hij schrijft indringende columns over zijn ervaringen in het Hollands Maandblad. „Sinds het begin van de nationale politie, in 2013, is het werk een stuk bureaucratischer. De politie is een anoniem apparaat geworden. Er zitten politiemensen ziek thuis die niets horen omdat ze niet tot een specifieke afdeling behoren. Niemand mist hen. Ze hebben alle kleine politiebureaus gesloten en iedereen in politiefabrieken gegooid. Ik kom nu elke dag in mijn bureau mensen tegen die ik nooit eerder heb gezien. Er is ook ruimtegebrek. Veertien wijkagenten delen bij ons één kamertje met zeven werkplekken.”

De politie is een anoniem apparaat geworden

Een kwestie die volgens hem ook voor steeds meer spanningen zorgt bij de politie: de pogingen om de organisatie veelkleuriger te maken. De Amsterdamse politiebaas Pieter-Jaap Aalbersberg moest in juni op vredesmissie langs zijn eigen districten, toen bekend werd dat hij een debat wilde over de mogelijkheid agenten hoofddoekjes te laten dragen.

„Laatst haakte een gemotiveerde teamchef af, omdat ze te horen had gekregen dat het geen zin had te solliciteren naar de functie van chef bij een rechercheteam. Na vele tropenjaren wilde zij, een prima vakvrouw en onder het personeel zeer geliefd, iets anders, maar op de plek die zij ambieerde zou een collega met diverse achtergrond komen. Zonder sollicitatieprocedure. Alle leidinggevende plekken die vrijkomen in Amsterdam zijn gereserveerd voor diversiteit. De meeste collega’s zijn voorstander van meer diversiteit, maar nu wordt het, net als in de jaren negentig, geforceerd door de strot geduwd. Carrièrekansen van autochtone politiemensen nemen behoorlijk af door deze ‘positieve discriminatie’. Van meerdere collega’s met een diverse achtergrond heb ik vernomen dat zij er ook niet blij mee zijn. Zij worden nu eerder beoordeeld door collega’s op de voorkeursbehandeling die zij hebben genoten, dan op hun kwaliteiten. Door de aanhoudende incidenten, de toenemende bureaucratie en de voortdurende reorganisatie, ervaar ik een explosieve sfeer.”

De belofte van de korpsleiding en minister van Justitie dat alles beter en rustig wordt als de reorganisatie eindelijk is afgerond, leidt tot ongeloof bij Druppers. „Dat zie ik niet gebeuren. Ik ben ervan overtuigd dat we weer terug de wijken in moeten. Er zijn maar een paar incidenten nodig die bewijzen dat wij het veel geroemde zicht op de haarvaten van de samenleving verloren zijn, en de politiek zal gaan morren. Dan komen er weer wijkteams, dat kan niet anders. Niet voor niets verschuift veel criminaliteit naar de provincie; door onderbezetting en de enorme grote bewakingsgebieden is voldoende politietoezicht nagenoeg onmogelijk.”

‘We moeten niet na elk incident hijgerig in galop gaan’

De Rotterdamse politiechef Frank Paauw. Foto Lars van den Brink

Politiechef van de Eenheid Rotterdam Frank Paauw zou nergens anders willen werken.

Er gaat inderdaad het een en ander mis bij de politie. Maar „in alle oprechtheid” wil de politiechef van de Eenheid Rotterdam, Frank Paauw (Den Haag, 1959), toch vooral het volgende gezegd hebben. „De Nationale Politie is een van de beste politiekorpsen ter wereld. En dan doe ik nog bescheiden”, zegt de baas van het korps, waar zevenduizend agenten werken.

„Als ik in de wereld om me heen kijk, merk ik voortdurend hoe goed de politie in Nederland is. Als je in een Engels politiebureau binnenkomt, waan je je in een aflevering van Coronation Street. Vorig jaar ben ik een paar keer door Saint-Denis, voorstad van Parijs, gelopen en daar kan de politie alleen zwaarbewapend de straat op. Ik had een schepen uit Molenbeek op bezoek die meeliep op Zuid. Hij zag ook een groot verschil in politiebenadering. De politie is hier zo toegankelijk en kan snel schakelen tussen praten, geweld en weer praten, dat zie je haast nergens ter wereld. Ik ben daar trots op.”

Nog steeds zou Paauw – zijn hele leven werkzaam bij de politie – nergens anders willen werken dan bij de politie. Al krijgt die trots de laatste tijd wel forse klappen. Van de week vertelde een collega hem dat hij in het eerste ‘burgercontact’ cynische opmerkingen kreeg over de prosecco-consumptie van de voorzitter van de Centrale Ondernemingsraad (COR). „Natuurlijk kunnen we tegen kritiek over misstanden, maar soms slaat de balans door. Het snijdt door je ziel als je elke dag te drogen wordt gehangen met beschuldigingen over corruptie, racisme en incompetentie, terwijl je lijf en leden wilt riskeren voor de goede zaak.”

„Ik liep van de week in De Kuip bij de wedstrijd van Feyenoord tegen Manchester City en dan raakt me de energie van de collega’s. Dat gold in maart ook bij het optreden tegen de Turkse minister van Familiezaken die ongewild op bezoek kwam. Het is zo druk dat sommige collega’s in de zomer zes weken achter elkaar weekenddiensten draaiden. Er worden grote dingen neergezet.”

Het is zo druk dat sommige collega’s in de zomer zes weken achter elkaar weekenddiensten draaiden

Sinds 2013 is de reorganisatie van de Nationale Politie gaande. Het is een ontwerp van de tekentafel en nu pas wordt volgens Paauw duidelijk waar de „weeffouten” zitten en waar „bijstellingen” nodig zijn. „We moeten nu met de organisatie hergroeperen. We zien wat wel en niet werkt en welke taken we op ons hebben genomen zonder dekking. Er zijn genoeg rapporten verschenen waarin staat hoe het beter moet. Die nemen we ter harte. We moeten wel de ruimte krijgen voor verbeteringen, leren van de fouten en vooruit kijken. Niet meer na elk incident hijgerig in galop gaan.”

De commissie-Ruys, die de geldverkwisting bij de COR onderzocht, concludeerde dinsdag dat de omgangsvormen van de politie niet deugen. Paauw herkent dat beeld. „Elkaar aanspreken op fout gedrag is binnen de politie slecht ontwikkeld. Dat is inherent aan een organisatie die dag en nacht werkt, met een geweldsmonopolie en groepscultuur. Die omgangsvormen moeten echt beter. Al die schandalen zijn niet bevorderlijk voor het moreel van de troepen. De imagoschade door alle affaires is enorm. Daardoor krijgen we niet meer voor het voetlicht wat we wél allemaal goed doen.”

„Toen we nog 26 korpsen hadden, was de politie ook niet perfect. Het ene korps speelde de pannen van het dak en het andere niet. Het grote verschil is dat de politie nu veel transparanter en beter controleerbaar is geworden. Het gelijktrekken verloopt met horten en stoten. Dat is onvermijdelijk bij zo’n grote reorganisatie die snel moet worden uitgevoerd. Er vallen gaten en niet omdat we labbekakkerig met de voeten op de verwarming zitten, maar omdat we de winkel draaiende moeten houden terwijl de verbouwing in volle gang is.”

Dat niet alle collega’s zijn enthousiasme en optimisme delen, is Paauw niet ontgaan. Hij ziet dat als een effect van de herinrichting van het apparaat. „Door de reorganisatie zijn niet alle mensen terechtgekomen op de plek die ze ambieerden. Er zijn veel frustraties en soms terecht als iemand twee uur per dag moet reizen. Men is onzeker. Dat gebeurt als je mensen uit hun vertrouwde omgeving haalt. Je hoort nooit de mensen die er een schaal op vooruit zijn gegaan. Die nieuwe kansen zien. Daar zijn er ook heel veel van.”