Cultuur

Interview

Interview

Foto's Frank Ruiter

‘Waarom plegen mannen vaker dan vrouwen zelfmoord?’

Lunchinterview Nathan Vos schreef een boek om de niks-aan-de-hand-man te doorgronden, na de zelfdoding van zijn broer David. „Ik had op z’n minst kunnen proberen verder in zijn hoofd te komen.”

Nathan Vos (46) is net een maand weggeweest – twee weken Engeland, twee weken op Griekse schiereilanden – dus hij is wel toe aan kroketten, zegt hij na een seconde kijken op de menukaart. Vanaf het moment dat ik achter hem bleek te fietsen – hij op een vaderfiets met fietstassen, komend vanaf de redactie van maandblad Zin waar hij hoofdredacteur van is – praat hij. Snel, soepel, hoge grapdichtheid, soms ontregelend, maar to the point. Zijn formuleringen soms zo kraakhelder en pijnlijk, dat ook zijn ogen zich met tranen vullen.

Want reden nummer één tot en met tien waarom we hier nu aan het stilste tafeltje in het verder bomvolle zakenrestaurant Dauphine in Amsterdam zitten, dat is zijn broer David. Het broertje net onder hem, het vijfde kind in hun gezin van zes. De broer met wie het altijd wel goed ging, om wie minder zorgen waren dan om hém, Nathan. „Ik was de losbol en de feestvierder.” David maakte kort na zijn veertigste verjaardag een einde aan zijn leven. Onverwacht, en met achterlating van een vrouw en drie jonge zoontjes. Op de dag dat dat gebeurde, een woensdag in 2015, schreef Nathan Vos de eerste regels van zijn boek. Man o Man heet het, en het ligt sinds een week of twee in de winkels.

Een zelfhulpboek is het zeker niet, al kun je er wel aan aflezen dat hij „kilo’s boeken” over psychologie en spiritualiteit heeft doorgeworsteld. Wat is het wel? Zelfonderzoek, rouwverwerking, research. Maar bovenal is het een serieuze poging om ‘de’ man te doorgronden. Zijn missie was en is: begrip krijgen én kweken voor de niks-aan-de-hand-man. De vinexvader tussen de 40 en 60 jaar oud, echtgenoot, werknemer, zoon, broer. Mannen met wie ogenschijnlijk alles goed gaat, maar in wie het van binnen borrelt en ronkt. De man die niet over gevoelens praat, niet met zijn naasten en al helemaal niet met een therapeut. Problemen, zo is hem geleerd, los je zelf op. Zo kan het gebeuren dat nabestaanden pas na de zelfgekozen dood onderkennen dat er al weken, maanden, soms jaren ‘iets’ met hem aan de hand was.

Iedereen heeft gekte in zich

Dat ‘iets’ probeert Nathan Vos te vangen. Hoe kan het, vraagt hij zich af, dat mannen zoveel vaker dan vrouwen een einde aan hun leven maken (in Nederland twee keer zo vaak). Na longkanker is het de belangrijkste doodsoorzaak voor mannen onder de zestig. Oververtegenwoordigd zijn de mannen zonder psychiatrisch verleden, die ongemerkt in nood verkeerden door scheiding, ontslag, werkstress of depressie. Hij is in gedachten z’n vrienden (en zichzelf) eens afgegaan. „A. gescheiden, B. werkstress, C. werkstress én gescheiden, D. boos, E. verslaafd….” Maar praten, doen ze niet. „Mannen vertalen onmacht in boosheid, ongerichte agressie, te veel drinken, zwijgend aan tafel zitten.” Aha, en wat doet hij? „Deed,” zegt hij. Gokken. In 10 jaar tijd 25.000 gulden. Hij is cold turkey gestopt op z’n 28ste toen hij journalistiek ging studeren.

„Bij ons in de familie zit vast een genetisch componentje.” Zijn vader had iets manisch. „Jarenlang waren mijn moeder en hij zwaar in de Here. Zendelingen van de evangelische gemeenschap.” Zijn vader was achtereenvolgens eigenaar van een christelijke boekwinkel, docent, mental coach en computerverkoper. Van een „voor anderen prettige man in de omgang” veranderde hij na de scheiding in een eenzame man op een flatje, omringd door drankflessen en ongeopende belastingenveloppen. Zijn moeder had depressieve buien, net als twee andere broers, zijn zusje leed vroeger aan anorexia. „Maar er is geen rechte lijn te trekken naar Davids dood. Iedereen heeft gekte in zich, David van ons allemaal nog het minst. Hij was niet anders dan alle andere goed functionerende mannen die zeggen dat alles goed gaat. Niet anders dan ik.”

Wat duwt ze over randje? Of liever: hoe voorkom je dat het zover komt? Hij sprak voor zijn boek ook elf weduwen van mannen die er een eind aan maakten. Een gemene deler: bij vrijwel alle mannen overheerste het gevoel van falen. Een man, zegt hij, moet winnen. En daar kan hij best een biologisch-evolutionaire verklaring voor aanvoeren. „De vrouw maakt gedurende haar leven plusminus 400 eitjes aan, de man 72 miljoen zaadjes per dag. Mannen zijn minder nodig voor de voortplanting van de soort, en onbewust voelen ze dat aan. Daarom moeten ze vechten. Tegen andere mannen. Dat doen we op het slagveld en in de disco, op ons werk. Verliezen we, dan liggen we eruit. De vrouw zoekt wel een betere man.”

Slempen en sloeren

Hou die gedachte even vast, want nu komt zijn stelling: een man stérft nog liever dan dat hij zich een verliezer toont. „Bij wijze van spreken natuurlijk, want niemand wil dood. Maar het schild laten zakken? Laten zien dat je het niet kan? Je kwetsbaarheid tonen? Die innerlijke onrust – ben je aan het winnen of verliezen – manifesteert zich vaak halverwege het leven. Werk, vrouw, gezin en huis of niet.”

Eén manneneigenschap – niet praten – heeft Nathan Vos in elk geval niet, concludeer ik. Hij glimlacht. „Ik heb een paar vriendengroepen. Bij elk zit ik op het randje.” De vrienden uit Arnhem, waar hij opgroeide. „Allemaal klussers. Aan hun auto’s, huizen, brommers. Voor hen ben ik de intellectueel die toekijkt terwijl zij z’n Puch fixen.” Voor zijn studievrienden uit Utrecht is hij „de bouwvakker met een grote waffel.” In Amsterdam is hij „een onhippe boer die het net niet begrepen heeft”. Op de redactie van Zin is hij omringd door vrouwen en hoort hij er, voor zijn gevoel, meer bij dan ooit. „Mijn empathieschuif is opengezet. Ik lul lekker mee.”

Iedereen kent wel een man die het moeilijk heeft

In die zin lijkt hij misschien niet op de „klooiende man” tot wie hij zich in zijn boek richt. Of beter gezegd: tot de vrouw van de klooiende man, want die koopt en leest het boek natuurlijk, dat weet hij ook wel. Wat hij tegen haar wil zeggen is: „Probeer met mildheid uit te vinden waarom je man doet zoals hij doet. Waarschijnlijk kan hij zich slecht tot zijn driften verhouden.” Als hij met zijn boek één man op betere gedachten brengt, of één vrouw anders laat kijken naar haar man, dan is zijn missie geslaagd. „Iets van mijn pijn en schuldgevoel wordt dan weggenomen.”

Had hij zijn eigen boek eerder willen lezen? Hij knikt en zegt: „Had ik Davids dood honderd procent zeker kunnen voorkomen? Nee. Had ik eerder willen weten en begrijpen wat hij doormaakte? Zeker.” Dan had hij misschien minder last gehad van het schuldgevoel dat alle achterblijvers altijd achtervolgt. „Toen ik het huis uitging, woonden mijn twee jongere broers nog thuis. David was 15, Daniël 12 of 13. Toen scheidden onze ouders. Mij interesseerde het geen moer, maar zij leden eronder. Ik had het te druk met slempen en sloeren. Ik heb mijn broers toen behoorlijk in de steek gelaten.” Voor zijn gevoel heeft hij dat weer gedaan toen, in 2015, bleek dat David aan het „spartelen” was. „Gedoe op z’n werk, overspannen, een depressie wellicht. Ik dacht: het waait wel weer over. Ik had op z’n minst kunnen proberen verder in zijn hoofd te komen.”

De goede vragen stellen

Nou kent iedereen wel een man die het moeilijk heeft. Wat helpt? „Let een beetje beter op hem. Maar respecteer dat hij het wil oplossen op een mannenmanier.” Zelf had hij baat bij een familieopstelling. Je laat vreemden de rol aannemen van je familieleden en zet hen, letterlijk, op de plek die hen volgens jou toekomt. Hij ontdekte dat hij David naast zichzelf en zijn zus inzette.

„Met z’n drieën vormden we een bondje. Maar we hebben David laten wegglippen.”

Praten helpt dus niet?, vraag ik naar de bekende weg. „Je moet een man de goede vragen stellen.” Bijvoorbeeld: weet je zeker dat je vader van je houdt? Elke man, zegt hij moet de rol van zoon ontgroeien en de relatie met zijn vader herijken (of herstellen). In zijn geval was dat lastig, zijn vader was al jaren dood. Dat heeft hij opgelost door, onder begeleiding van een therapeut, pure mdma te slikken. Ecstasy, maar dan zonder de speed. „In die trip heb ik afscheid van mijn vader kunnen nemen en hij van mij. Heel heilzaam.” En hoe doet hij het zelf, als vader van een zoon van 13? „Wel goed, denk ik. Al zie ik bij hem ook al mannengedrag. Nooit hulp vragen, weinig woorden, en vraag je hoe het met hem gaat, dan is het antwoord altijd: ‘goed’.” Hij heeft hem Man o Man laten lezen. En? „Hij vond het wel lekker doorlezen.”

Lezen helpt de man ook enorm. Vooral fictie. „Mannen lezen te weinig, ja Gijp en Kieft. Die boeken gaan helemaal niet over voetballers natuurlijk, maar over klooiende mannen.” Die man, zegt hij, is de kurk waarop de wereldliteratuur drijft. „Van John Irving, Shakespeare, tot Philip Roth. Lees die als je wilt weten waarom een man doet wat hij doet.” Hij zou willen dat zijn eigen boek de winkels uitvliegt. „Het gevaar bestaat dat ik mijn zelfbeeld laat afhangen van hoe goed het boek het doet. Ik ben mijn boek,” mailt hij na afloop van onze lunch. Wijzer geworden over wat falen met mannen kan doen, mail ik hem terug of hij wel een beetje uitkijkt. Hij schrijft terug: „Ik reken erop dat ik daar niet meer intuin.” En hij sluit af met een smiley.