Recensie

Tussen trauma en nostalgie

Sara Novic

In haar debuutroman heeft deze Amerikaanse schrijfster de vermenging van trauma en nostalgie over de oorlog in Kroatië knap verbeeld. Haar boek lees je zowel met licht ongemak als met veel genoegen.

Wie kan er het best een machinegeweer nadoen? En niet vergeten dat je zo mooi mogelijk dood moet gaan, met je armen en benen in onnatuurlijke hoeken levert de meeste punten op. Denk aan de doodsreutel.

Ana Jurić en haar vriendjes, allemaal een jaar of tien, spelen met het nodige gevoel voor humor de oorlog na in Zagreb. Aldus lokt Wie het mooist valt van Sara Novićc (VS, 1987) je het Kroatië van 1991 in. Wie een zoete kindervertelling verwacht, komt bedrogen uit: al snel wordt de oorlog met de Serviërs voor de jonge Ana zeer concreet, in de vorm van een groep dronken soldaten, die haar gezin onderschept nadat ze Ana’s doodzieke babyzusje hebben afgeleverd bij iemand die haar naar Amerika zal smokkelen.

‘De eerste keer klonk het geluid uit de Kalasjnikov niet als een geweerschot. Het klonk als een lach.’ Klare taal die met regelmaat door merg en been gaat. Novic weet wat ze doet, in haar debuutroman.

Ook het verhaal – meisje maakt de gruwelijkheden van een oorlog mee, wordt naar hetzelfde Amerikaanse gezin als haar zusje gehaald, groeit op – zit goed in elkaar. Heel ingenieus wisselt Novic per hoofdstuk de herinneringen van Ana af met de Ana in het heden. Bijna zou je zeggen dat het geheel ietwat gepolijst aandoet. Wat de roman redt van louter degelijkheid, is de spanning die het hoofdpersonage onderhuids beleeft: wat is Zagreb voor haar? Trauma? Nostalgie? Kunnen die twee samengaan? Ja, dat kan, maar een makkelijk leven levert het niet op.

Ana, literatuurstudente in New York, is gesloten en hard. Al op jonge leeftijd ontdekte ze dat haar verschrikkelijke verhaal de meeste volwassenen in ongemak of onbegrip doet wegkijken. Wie weet er nu wat oorlog, échte oorlog is? Niet de Amerikanen, zelfs niet na de aanslagen. Nee, Ana zwijgt. Zelfs haar goedzak van een verkering weet niets van haar verleden.

Dan besluit ze terug te keren naar de stad van haar jeugd. Waar Ana eerder zegt zich meer op haar gemak te voelen bij wapens dan in een New Yorkse wolkenkrabber (‘De geweren mochten schokkend zijn […] voor velen van ons […] waren ze bedekt met hetzelfde laklaagje nostalgie dat ieders jeugd glans geeft’) komen in de stad van haar jeugd ook de andere herinneringen naar boven. Weer die balans tussen trauma en nostalgie, de vermenging ervan, maar ook het terugkijken op de kindertijd, pas later begrijpen wat ze écht meemaakte. Ermee moeten leren omgaan dat veel mensen dat nooit, nooit zullen snappen. Toch doorleven.

Wat doet zoiets met de lezer? Deze lezer kan alleen voor zichzelf spreken, maar: met licht ongemak doch veel genoegen doorlezen. Ongemak wégens dat genoegen, want juist doordat Novic met haar roman inzichtelijk maakt wat ik werkelijk niet kan invoelen, niet écht kan invoelen, wat het betekent om een oorlog mee te maken, lijkt genoeglijk lezen iets voyeuristisch te krijgen. Het wonderlijke is dat ik nu al dagen rondloop met de vraag wie hier de voyeur is – Novic deelt namelijk, in tegenstelling tot wat je zou verwachten en ondanks haar deels Kroatische roots, haar autobiografie niet met Ana.

Begrijp me niet verkeerd: dit is geen beschuldiging, maar een lofrede. Wie zo kan vertellen, verdient een oeuvre.