Column

‘Triest, niet troosteloos’

Bij de naam Herman Gordijn (1932-2017) denken we misschien te snel aan die hoer met cyclaam. Ze zit zelfbewust achter haar raam en cyclaam, alsof ze denkt: „Of jullie me nu wel of niet lusten, ik lust júllie rauw.” Hij heeft haar tweemaal geschilderd, in 1959 en in 1985, de tweede keer met minder details, maar met hetzelfde resultaat: een buitengewoon afstotelijke dame, al zullen haar klanten daar anders over hebben gedacht.

We vinden de hoer terug op de overzichtstentoonstelling van Gordijn (nog tot 2 oktober) in Museum More in het Gelderse Gorssel. Hoer met cyclaam II behoorde tot dat deel van de collectie dat miljardair Hans Melchers voor dit nieuwe museum opkocht uit de failliete boedel van Dirk Scheringa. Een aangenaam museum – ik was er voor het eerst en werd getroffen door de ruimte en het licht in de zalen, waardoor élk doek tot zijn recht komt. Dat valt niet van ieder Nederlands museum te zeggen.

In Gorssel blijkt weldra dat het oeuvre van Gordijn veel meer is dan een rariteitenkabinet met gedrochtelijke wezens. Niets ten nadele van Hoer met cyclaam en verwante schilderijen – ze blijven fascinerend – maar het is slechts één aspect van zijn werk. Gordijn was bijvoorbeeld ook een geweldige portretschilder.

Voor het eerst zag ik ‘in het echt’ zijn schilderij van koningin Beatrix uit 1982, waarvoor zij een aantal keren geposeerd heeft. Je kunt het met recht een majestueus schilderij noemen. Beatrix treedt de toeschouwer waardig, maar onbevangen tegemoet met een licht lachje om de lippen en een geopende mantel, waardoor de contouren van haar borsten onder haar jurk duidelijk zichtbaar zijn.

Dat werd destijds door sommige koningsgezinden als onfatsoenlijk ervaren, maar Gordijn zei er terecht over: „Als je dat gaat verhullen met ruches en lintjes enzovoort zie je een kostuum, en het ging mij niet alleen om de expressiviteit van het gezicht, maar ook om die van het lichaam. Sterk en kwetsbaar.”

Uit dit en andere portretten – zoals de prachtige van Ton Lutz en Ivo Samkalden – blijkt dat Gordijn wel degelijk mensen in de kracht van hun leven kon afbeelden. Tegelijk had hij een scherp oog voor wat hij noemde „het drama van het verval”. „Het heeft iets onbegrijpelijks dat we geboren worden om af te takelen en dood te gaan”, zei hij eens. „Het is niet met woorden te benoemen, maar dát probeer ik te vangen in mijn schilderijen.”

Gordijn kon niet alleen shockeren, maar ook ontroeren. Hij werkte met een vast groepje vrouwelijke modellen, zoals Mona Monte, Lida Polak en Lies van Collem. Mona Monte was de dochter van een Siciliaanse vader en een Ethiopische moeder. Ze deed hem denken aan de Italiaanse actrice Anna Magnani. In het geheim vertelde ze hem dat ze een vrouw in een mannenlichaam was.

Het doek Mona met kussen is een van de hoogtepunten van deze tentoonstelling. Een vrouw op een bed omhelst een kussentje alsof het een kind is. De schrijver Henk Romijn Meijer noemde het schilderij „triest, maar niet troosteloos”. Gordijn kon zich daar wel in vinden, wat niet wegnam dat het slecht met Mona afliep. Hij hielp haar aan een chirurg voor geslachtsverandering, maar ze werd er niet gelukkig van en pleegde in 2009 zelfmoord.