Cultuur

Interview

Interview

Souad Mekhennet: „Ik heb meerdere huwelijksaanzoeken van jihadisten gekregen, terwijl zogenaamd ruimdenkende westerlingen er vanuit gaan dat mijn keuze voor dit werk betekent dat ik geen partner of kinderen wil.”

Foto Camera Press/ Hollandse Hoogte

‘Terrorisme is big business geworden’

De Duitse journaliste Souad Mekhennet reisde jaren door de Arabische wereld – inclusief IS-gebied – om te onderzoeken hoe het komt dat mensen radicaliseren. Deze week verschijnt de vertaling van het boek dat ze erover schreef. ‘Ik heb heel angstige situaties meegemaakt. Na Egypte kreeg ik last van PTSS.’

Najaar 2002. Ruim een jaar na de aanslagen van 9/11. Journaliste Souad Mekhennet volgt bij de rechtbank in Hamburg het proces tegen Mounir el Motassadeq, de eerste man die wordt beschuldigd van rechtstreekse betrokkenheid bij de aanslagen. Ze is pas 23 jaar en studeert nog, maar haar journalistieke onderzoekswerk naar radicalisering en naar de achtergronden van de kapers van 9/11 is opgevallen. Ze heeft een kersvers contract van The Washington Post op zak.

Aan het einde van een zittingsdag waarin nabestaanden worden gehoord, gaat ze met collega’s uit eten. Maureen Fanning, de vrouw van een omgekomen brandweerman, schuift ook aan.

„Maureen zei dat ze ook de Amerikaanse overheid en media verantwoordelijk hield voor wat er was gebeurd”, vertelt Mekhennet. „We vroegen: waarom dan? Ze zei: ‘Omdat niemand ons had verteld dat er mensen zijn die ons zo haten. Waarom haten ze ons zo?’ Ik was de enige aanwezige met een moslimachtergrond en ze keek mij aan alsof ze van mij een antwoord verwachtte. Ik stamelde iets over buitenlandse politiek, maar ik realiseerde me dat ik geen antwoord had. Ik kon niet uitleggen wat drie jongens die vanuit een Arabisch land naar Duitsland waren gekomen om te studeren ertoe had gebracht vliegtuigen in gebouwen te willen vliegen en zoveel mensen te doden.”

Najaar 2017. Mekhennet heeft gedaan wat ze zich vijftien jaar eerder had voorgenomen. Op zoek naar antwoorden op Fannings vraag reisde ze onder andere naar Irak, Egypte, Algerije, Libanon, Pakistan en Turkije. Ze sprak met kopstukken van de Talibaan, Al-Qaeda en IS, met inlichtingendiensten, geradicaliseerde jongeren, ronselaars, ouders wier zoons naar Syrië zijn vertrokken en vrouwen die ervoor kozen met IS-mannen te trouwen. Samen met een collega onthulde ze in 2015 de identiteit van Jihadi John, als beul te zien op onthoofdingsvideo’s van IS: het bleek de Londenaar Mohammed Emwazi te zijn. Een wereldwijde scoop.

Haar bevindingen schreef ze op in de bestseller I Was Told to Come Alone: My Journey Behind the Lines of Jihad. Deze week verscheen de Nederlandse vertaling. Het boek wordt ook uitgebracht in het Arabisch.

We spreken af in Frankfurt, de stad waar ze is geboren en grotendeels opgegroeid. Een mooie vrouw met opvallende amandelvormige ogen. Ze is hartelijk, maar duidelijk op haar hoede. Als ze tijdens het gesprek een telefoontje aanneemt, schermt ze haar mond af met haar hand en verzoekt me het opnameapparaat op pauze te zetten. Iedere vraag die niet honderd procent neutraal is geformuleerd, wordt gepareerd: „Dat is jouw interpretatie.”

Voelde je een verantwoordelijkheid om dit verhaal te vertellen?

„Ik ben journalist en uit naam van mijn godsdienst waren aanslagen gepleegd. Ja, ik voelde me wel verantwoordelijk. Ik wilde zelf ook begrijpen wat Mohammed Atta en de andere kapers zover had gebracht, want ik herkende in niets de religie waarmee ik ben opgevoed. Ik ben van Marokkaans-Turkse afkomst, mijn vader is soenniet, mijn moeder sjiiet. Mijn ouders leerden me dat je moet kijken naar wat je gemeenschappelijk hebt, niet naar wat verdeelt. Daar geloof ik heilig in.”

Heb je antwoorden gevonden?

„Er zijn veel verschillende motieven voor mensen om te haten of om zich aan te sluiten bij een groepering, daarom heb ik driehonderd pagina’s nodig gehad voor mijn boek. Maar er is een gemene deler: vrijwel iedereen die radicaliseert is ervan overtuigd dat er een oorlog gaande is tegen de islam. Vooral de inval in Irak in 2003 door de Verenigde Staten, Groot-Brittannië en hun bondgenoten heeft kwaad bloed gezet. Die inval, met als excuus massavernietigingswapens die er later niet bleken te zijn, wordt door velen gezien als een vooropgezet plan om het Midden-Oosten onder controle te krijgen. Vergeet niet dat president George W. Bush na 9/11 zei: ‘This is a crusade.’ Die ene zin is telkens weer gebruikt in videoboodschappen van Al-Qaeda en IS. ‘Kijk, hij zegt het, we zijn in oorlog. Dit is een religieuze oorlog.’

Er zijn mensen op zoek naar eenvoudige antwoorden en er zijn politici die ze geven. Jullie hebben ook een politicus die zegt dat de islam het probleem is.

„We moeten ons realiseren dat aan beide kanten wordt ingespeeld op angst. Er zijn mensen op zoek naar eenvoudige antwoorden en er zijn politici die ze geven. Jullie hebben ook een politicus die zegt dat de islam het probleem is. Ik interviewde in Denemarken een politica die werkelijk dacht dat alle moslims vroeg of laat radicaliseren. Ik vroeg haar: maar de meerderheid is toch niet geïnteresseerd in geweld? Toen antwoordde ze: ‘Omdat ze de Koran nog niet goed hebben gelezen.’ Begrijp me niet verkeerd, ik weet hoe gevaarlijk deze groeperingen zijn, maar westerse politici die polariseren zijn ook gevaarlijk. Dit soort haat is precies wat ronselaars helpt om jonge mensen, geboren in Europa, te vertellen: ‘Zie je wel, ze hebben het over jou en jouw geloof. Je zal nooit echt geaccepteerd worden.’”

Speelt gebrek aan kansen een rol bij radicalisering?

„Een deel van de jongeren die ik beschrijf, komt uit problematische gezinnen. Die zijn op zoek naar een nieuw thuis of een groep om bij te horen. Ronselaars weten heel goed hoe ze hen moeten bespelen. Ze stellen zich op als grote broer of vaderfiguur. Daarna beginnen de gesprekken: ‘Je zult er hier nooit echt bij horen, wij zijn jouw familie.’ En dan heb je de groep die boos is omdat ze niet dezelfde kansen lijken te hebben als anderen. Die klagen dat ze nooit een baan zullen krijgen omdat ze bijvoorbeeld Mohammed heten en opgroeien in Amsterdam Slotervaart, waar ik vaak ben geweest. Die zien zichzelf als slachtoffer.

„Ik schets de omstandigheden die jongeren vatbaar maken voor rekrutering, maar ik vind het geen excuus. Mijn ouders waren gastarbeiders, ik weet hoe het voelt om tegen discriminatie op te boksen. Klasgenootjes vroegen mij ook op mijn vijftiende wanneer ik met mijn neef ging trouwen. Maar het is te makkelijk om naar anderen te wijzen en er dan voor te kiezen jezelf buitenspel te zetten. Ik probeer mensen te vertellen: ja, misschien moet je drie keer harder werken om iets te bereiken, maar je kunt het. Ik heb het ook gedaan.

„Daarom schrijf ik ook over mijn oma in Marokko, bij wie ik als klein meisje woonde. Zij was voor mij een feministisch rolmodel, een sterke vrouw. Zij verliet haar eerste man omdat hij haar sloeg. Ze verhief haar stem als ze dat nodig vond. Toen de leraar van de Koranschool mij met een liniaal had geslagen, kwam ze naar school en ranselde hem voor de klas af met een gymschoen. Ze kwam op voor zichzelf, en voor mij.”

In de nasleep van de aanslagen in Parijs van november 2015 sprak Mekhennet in het Brusselse Molenbeek met een jongen die een bekende was van twee aanslagplegers. Hij vertelde dat zijn ouders zich in zijn jeugd helemaal niet bezighielden met de Belgische maatschappij. Ze waren bezig met geld verdienen voor een huis in Marokko, omdat ze de familie wilden laten zien dat het ze goed ging. Het kon hen niet schelen of ze integreerden.

Met mijn boek probeer ik ook ouders en de moslimgemeenschap op hun verantwoordelijkheid te wijzen. Dit is geen probleem van achtergestelde moslims, het is een probleem waar alle partijen aan moeten werken.”

Ze veert op. „Mag ik jou wat vragen? Heb jij het idee dat de Nederlandse politiek of maatschappij een plek heeft gecreëerd waar moslimjongeren terecht kunnen met hun vragen over politiek of religie, waar ze hun boosheid kunnen uiten over hun omstandigheden, zonder dat ze meteen een label krijgen? Nee? Nou, zo’n plek is er dus ook niet in Duitsland, Spanje, Groot-Brittannië en Denemarken.”

Mekhennet verhaalt over haar ontmoetingen met de Duitse ex-rapper Denis Cuspert, alias Deso Dogg, die later een hooggeplaatst figuur binnen IS zou worden, bekend onder de naam Abu Talha al-Almani. Hij vertelde haar dat hij in zijn periode als rapper met veel vragen over de islam had gezeten. Maar iedere imam op wie hij was afgestapt had gezegd: „Niet hier! Als we dit in de moskee bespreken en de veiligheidsdiensten krijgen er lucht van, dan worden wij ervan beschuldigd dat we jou laten radicaliseren.”

Mekhennet: „Dus wie bood hem antwoorden? Een ronselaar. Dit is echt een vacuüm, dat wordt gevuld door ronselaars die online, op universiteiten en in moskeeën mensen aanspreken. We moeten jongeren een instituut of plek geven waar ze kunnen praten en worden uitgedaagd om hun ideeën te toetsen. Waar ze te horen krijgen: kijk, je bent boos op de politiek, maar als jij denkt dat de Koran je voorschrijft om in Syrië te gaan vechten, dan haal je de boel uit z’n context, want dat staat er niet, je moet dit lezen in de context van de geschiedenis.”

Is een ander westers buitenlandbeleid deel van de oplossing?

„Misschien moet het Westen stoppen met de gedachte dat we overal democratie moeten brengen en gaan denken in het verspreiden van waarden. Zien we liever een Arabisch land met een alleenheerser die de vrijheid van religie, vrouwenrechten en rechten van minderheden respecteert en werkt aan de vrijheid van meningsuiting, of een democratisch gekozen bestuur dat religie in de politiek brengt en mensen rechten ontneemt?

„Je kunt niet zomaar zeggen: dit systeem deugt niet, dus we gooien het volledig overboord. Je moet een brug slaan tussen het oude en het nieuwe systeem, door een deel van het oude systeem of de mensen uit het oude systeem te handhaven.

„Toch geloof ik niet dat dit een botsing van beschavingen is, zoals de politicoloog Samuel Huntington heeft betoogd. Ik zie het als een botsing tussen mensen die bruggen willen bouwen en mensen die in polariteiten willen leven – en dan maakt het niet uit of we het hebben over rechts-nationalisten of leden van IS. Voor mij zijn westerse islamofobie en radicalisering in het Midden-Oosten twee zijden van dezelfde medaille.”

Je beschrijft in je boek hoe een achterneefje van je omkomt bij een aanslag. Je lijkt je daarna af te vragen of het zin heeft wat je doet.

„Dat vraag ik me wel eens af, ja. Terrorisme is zo’n big business geworden. Er zijn zoveel experts die denken dat ze radicalisering of IS kunnen analyseren door mee te lezen op chatgroepen en radicalisering blijven beschrijven als iets wat van buiten komt, uit de Golfstaten of uit moskeeën. Dat maakt me soms moedeloos, omdat de volgende generatie met dezelfde problemen te kampen krijgt als we niet bereid zijn echt naar begrip te streven. Het stopt niet met de val van Raqqa.”

Je hebt bijna je leven ervoor gegeven.

„Ik heb heel angstige situaties meegemaakt, inclusief gevangenneming door de Egyptische geheime dienst. Die passages waren moeilijk om op te schrijven, pas toen drong echt tot me door dat ik een aantal keren ongelooflijk veel geluk heb gehad. Na Egypte kreeg ik last van PTSS. Ik had veel stress in mijn lijf, was angstig, vooral ’s nachts. Het was hard werken om dat kwijt te raken. Ik ben ook een periode gestopt met reizen. In die periode werd ik er ook mee geconfronteerd dat ik geen partner heb. Ik miste een schouder om op uit te huilen, iemand met wie ik dit samen kon verwerken.

„Er is een plek nabij Marrakech waar ik soms naartoe ga. Een klein, eenvoudig hotel bovenop een berg. Nauwelijks internetverbinding, wel een geweldig uitzicht over besneeuwde bergtoppen. Dan kijk ik naar de mensen die daar leven, sommigen zonder stromend water, hout sprokkelend, maar dankbaar voor kleine dingen. Dan kom ik weer met beide benen op de grond. Het ligt in het gebied waar mijn grootvader ooit land bezat, misschien dat ik me er daarom zo mee verbonden voel.”

In Irak zei een invloedrijke sjiitische partijleider tegen je: ‘Je hebt een heel zwaar leven gekozen. Moge Allah een man in je leven brengen die je grote hart en onderzoekende geest waardig is.’

Mekhennet schiet in de lach. „Het bijzondere is dat ik meerdere huwelijksaanzoeken heb gekregen van jihadisten, terwijl zogenaamd ruimdenkende westerlingen er vanuit gaan dat mijn keuze voor dit werk betekent dat ik geen partner of kinderen wil. Daar zou je bij een man met deze baan niet vanuit gaan, toch?

„Ik geloof wel dat mijn werk het lastiger maakt om iemand te vinden. Nu staan er veel foto’s van me op internet, een paar jaar geleden kreeg je alleen foto’s van jihadisten als je mij googelde.”

Met een knipoog: „Dat schrikte wel af.”