Column

Politici die achteraf bepalen wat de kiezer belangrijk had moeten vinden

Deze week: waarom zelfs de eindfase van de formatie lastig en gespannen is.

Ofwel: één thema dat Rutte III volledig uit het lood kan slaan.

Vermoedelijk over anderhalve à tweeëneenhalve week begint dan eindelijk de eindfase van de kabinetsvorming. De benoemingen.

Maar dit is de formatie van 2017, dus te vroeg juichen zou naïef zijn: ik begreep deze week dat zelfs deze eindfase – de eigenlijke formatie – een oefening in geduld dreigt te worden. En nogal wat drama belooft.

Eerst krijgen we volgende week Prinsjesdag – geeuwen mag. Dan mogen de doorrekeningen van het regeerakkoord geen onverwachte tegenvallers opleveren – waarschijnlijk wel. Daarna komt er nog een Kamerdebat om Gerrit Zalm te bedanken.

Vervolgens zou het passend zijn als de bewolking wegtrekt en de wind gaat liggen, zodat we onder een najaarszonnetje de kandidaat-ministers naar het Torentje zien wandelen, waar formateur Mark Rutte ze opwacht. Koekje bij de thee.

Duidelijk is dat de premier zijn rol als VVD-onderhandelaar aan het loslaten is, en vooral nog oog heeft voor de houdbaarheid van zijn derde kabinet.

Vandaar dat hij, begrijp ik, op de drie andere partijleiders een beroep heeft gedaan nog eens na te denken: willen zij toch geen vicepremier annex minister in zijn derde kabinet worden?

De klassieke premiershouding: probeer het politieke gevaar dichtbij te houden. Rutte is een bekend bewonderaar van Robert Caro’s veeldelige biografie van Lyndon B. Johnson, die ooit over een tegenstander zei: ‘It’s probably better to have him inside the tent pissing out, than outside pissing in’.

Maar Ruttes handicap is dat Den Haag hem en zijn manieren nu wel kent. De aanwijzingen zijn dat de partijleiders niet staan te popelen.

Gert-Jan Segers noemde al voor de verkiezingen Carola Schouten openlijk als CU-kandidaat voor het vicepremierschap. Segers zelf wil in de Kamer blijven om het partijbelang te behartigen.

Buma en Pechtold neigen daar ook toe, maar hebben formeel nog niet besloten. Je hoort dat er een kansje is dat Buma zich toch aanmeldt voor Financiën. (Maar of Rutte dat zou verheugen?) En je hoort: Pechtold heeft zich wel vaker laten ompraten door Rutte.

Maar voor zowel Buma als Pechtold zou een ministerschap niet rationeel zijn: in een vierpartijencoalitie verstomt partijgeluid automatisch.

Een factor die zijdelings kan meespelen bij alle personeelskeuzes: zeker twee van de spindoctors van de onderhandelende partijen overwegen de eventuele vicepremier van hun partij te vergezellen.

Hoe gecompliceerd de slotfase wordt, moge blijken uit het feit dat Carola Schouten haar zinnen heeft gezet op Sociale Zaken: het ministerie waarvan heel Den Haag weet dat ook co-onderhandelaar Halbe Zijlstra erheen wil.

Op dat ministerie zijn ze al bekend met Schoutens en Zijlstra’s voorkeur, zelfs weten ze er al wie zij beiden op het oog hebben als hun politiek assistent. Dus iemand gaat hier straks een pijnlijk telefoontje ontvangen.

Schouten lijkt de beste papieren te hebben. Gezien de eerder overeengekomen ministersverdeling (zes VVD, vier CDA en D66, twee CU) ligt het voor de hand dat de CU een post in de klassieke vierhoek claimt. Zo bezien heeft zij meer rechten dan Zijlstra: de VVD heeft immers Rutte al in de vierhoek.

In de VVD kun je optekenen dat dit niet zomaar gaat. Maar niemand moet verbaasd zijn als die partij meer pijnlijke keuzes krijgt opgedrongen. Iemand vergeleek deze eindfase met Europa in de negentiende eeuw, inclusief alle onvoorspelbare bondjes.

Een andere betrokkene schertste deze week: misschien moeten we deze keer niet beginnen met de vraag welke kabinetsposten partijen graag willen. Maar welke ze niet willen.

Je zou dan zien dat de belangstelling voor Veiligheid en Justitie beperkt is – een zwaar departement met een gehavend ambtenarenapparaat dat al decennia van affaire naar affaire strompelt. De meeste andere partijen denken: nou, VVD, dat ministerie was jullie vurige wens – succes ermee.

Ook het staatssecretariaat van Financiën maakt weinig ambities los: in de vorige periode sneuvelde eerst de VVD’er Weekers, daarna werd partijgenoot Wiebes opgezogen door het moeras van de Belastingdienst. Intussen toonde de Volkskrant deze zomer aan dat de problemen van de dienst verergeren. Dus ook over deze post denken andere partijen: geluk ermee, VVD.

Dan is er het ministerschap voor Klimaat. Alle coalitiepartijen steunen dit idee in principe. Maar ook binnen sommige van die partijen knaagt de onzekerheid of het land – en Den Haag – wel doorheeft welke inspanningen inzake klimaatpolitiek op ons afkomen.

Laatst liep ik op een borrel Ed Nijpels tegen het lijf, oud-VVD-leider en in de jaren tachtig succesvol milieuminister, die nu bij de SER toeziet op uitvoering van het Energieakkoord.

Hij zei: geef me je mailadres, dan stuur ik je iets.

Die avond vond ik één A4tje in mijn mailbox: ‘Energietransitie Nederland 2017-2050’. Hij had het document laatst aan topambtenaren voorgehouden, vertelde hij. Hij liet het maken om alle inspanningen weer te geven waartoe Nederland sowieso verplicht is inzake de verduurzaming van de energie.

Dat zijn: Klimaatakkoord Parijs (naar CO2-vrije energieopwekking; 2015-2050); Europees Klimaatbeleid (bijstelling Parijs); Integraal Nationaal Energie- en Klimaatplan (2017-2045; INEK 1 t/m 6: vijfjaarlijkse invulling EU-programma mondiaal klimaatverdrag); Transitiepaden Energieagenda (2016-2050; aanvullende plannen EZ); Energieakkoord (2013-2023; jaarlijkse energiebesparing 1,5 procent; hernieuwbare energie); Energieakkoord 2.0 (2018-2028; uitbreiding energieakkoord op basis van INEK).

Hier bovenop komen dan nog de Klimaatwet, waarin Nederland zich juridisch bindt aan uitvoering van het Parijse akkoord. Dit initiatief van PvdA en GroenLinks kreeg eerder steun van D66 en de CU, en keert vermoedelijk in afgezwakte vorm terug in het nieuwe regeerakkoord.

En dan komen er, zo wordt in Den Haag verwacht, nog extra uitgaven voor onder meer woningisolatie. Nijpels zei wel beducht te zijn dat partijen alleen percentages afspreken. „Je moet er de instrumenten en het geld bij leveren; anders wordt het niks”, zei hij.

Ik zei: er komt hoe dan ook erg veel klimaatbeleid op het land af – en niemand lijkt het te beseffen. „Ja”, zei hij. „Het is héél veel.” Voorlichting is geboden. „Je zult het land moeten voorbereiden.”

Dit laatste is misschien wel het lastigst. De meeste Nederlanders zullen doorhebben dat er geen ijzersterk kabinet aankomt. De meeste Nederlanders zullen rond Prinsjesdag opnieuw vernemen dat er voorlopig weinig ‘structureel geld’ is voor alle behoeften inzake zorg, onderwijs, politie en veiligheid.

Tegelijk moet het nieuwe kabinet, om internationale afspraken na te leven, eindeloos veel klimaatbeleid presenteren, al heb je politici die dit relativeren. Zij zeggen: dit gaat veelal om maatregelen die mensen niet echt raken.

In elk geval lijkt het dilemma me duidelijk. Het land staat er economisch sterk voor, het krijgt een relatief zwak kabinet, met relatief weinig structureel geld, en erg veel klimaatpolitiek.

Zeker met de verkiezingscampagne in gedachten, waarin het vooral draaide om (nationale) identiteit, heeft dit natuurlijk iets absurds: terwijl al die campagnedebatten amper nieuw beleid opleveren, leidt het amper gevoerde klimaatdebat tot een stortvloed van nieuw beleid.

Blijkbaar een systeemfout: in 2012 hadden we ook al zoiets. Toen ging de campagne vooral over de EU-begrotingsnormen, steun aan de Grieken, hypotheekrenteaftrek, en marktwerking in de zorg. De grootste hervorming die partijen vervolgens in de formatie afspraken, en die het imago van het Rutte II bepaalden, betrof iets heel anders: bezuinigingen en reorganisatie van de langdurige zorg.

Dus je kunt je in redelijkheid afvragen of politiek in Nederland zo moet blijven: dat ze in Den Haag na de verkiezingen vaststellen wat de kiezer echt belangrijk had moeten vinden.