Recensie

Opgaan in het magische literaire spel

Arie Storm

Storms spel met feit en fictie krijgt in het krachtige Een diadeem van dauw een existentiële lading.

Illustratie Paul van der Steen

De vader van Arie Storm is weer overleden. Nee, shit, doe ik het meteen fout: het was de vader van August Voois, het alter ego van de schrijver en literatuurcriticus Arie Storm (1963). Die niet verward moet worden met Arie Storm, het fictieve spiegelbeeld van eerdergenoemde, bekend uit eerdere romans van Arie Storm.

Het wordt meteen een zooitje, als je het over Arie Storm hebt. De verteller van zijn nieuwe roman Een diadeem van dauw, August Voois, probeert te vertellen dat zijn pas gestorven vader al eens overleden ís, maar dan in een roman, die Het voelen heette (niet te verwarren met Storms roman Gevoel, waarin ene Arie Storm zijn vader verliest). Tegelijkertijd, noteert Voois, ‘valt me op hoe accuraat ik daar ben in het beschrijven van wat er door me heen zou gaan als mijn vader echt zou komen te overlijden’. Alles loopt door elkaar.

Dat soort spelletjes met fictieve dubbelgangers kennen we uit het werk van Storm. Zijn vorige twee romans, ook over Voois, Luisteren hoe huizen ademen (2013) en Maans stilte (2015), zijn zelfs enigszins berucht om de kamikazeachtige overgave waarmee dat spel gespeeld werd en het (ultiem ironische) resultaat dat dat had. Namelijk: Storm verloor zijn betrekking als boekbespreker bij de radio door iets onaardigs dat hij over de presentatrice had geschreven – in een roman, in fictie! Was de roman dan geen hermetisch gebied waarin alles kon omdat alles bedrog is, als een droom, die echt lijkt en voelt maar het niet is? Nee, dat telde even niet.

Fundamentele literaire magie

Ik werk toe naar het punt waarop ik beweer dat Een diadeem van dauw méér is dan weer dit spel, het is een sublimatie ervan, maar eerst nog even dit. Het is in de mode om te doen alsof de inhoud van een roman waar en echt is. Maar, fulmineert Voois, dan beschouw je lezers als dom en onvolwassen. ‘Kinderen die je voorleest laat je geloven dat alles echt is gebeurd, maar de kracht van literaire fictie is juist dat daarin slechts de illusie van echtheid wordt gecreëerd en dat de volwassen lezer heel goed weet dat dit spel wordt gespeeld – een volwassen lezer vergeet nooit dat hij een roman leest.’

Het probleem is nu, in Een diadeem van dauw onontkoombaarder dan voorheen: dat Voois ‘de grens die bestaat tussen feit en fictie aan het passeren’ is. Zo voelt dat voor hem en óók voor de lezer: die voelt waarachtige gevoelens bij deze woorden, die ondergaat de fundamentele literaire magie van woorden op papier die in zijn hoofd iets losmaken. Daar slaagt Storm in doordat Een diadeem van dauw dat spel met feit en fictie een existentiële lading weet te geven, maar ook doordat deze roman zo ogenschijnlijk soepel en haast onmerkbaar strak geschreven is. Schijnbaar babbelt en meandert Voois, maar wie goed kijkt, ziet niet één overbodig zijpad: ook de vele komische passages, die op het eerste gezicht vooral wat lucht in het verhaal laten stromen, zijn deel van een constructie die je gaandeweg vastgrijpt.

Krachtige literaire fictie dus, maar voor Voois is het minder genoeglijk: die is in verwarring. Dankzij zijn ‘karakterfout’: ‘ik kan nooit volledig opgaan in een situatie’ – dat is de crux van de roman. Het verhaal gaat over de dag waarop hij naar het huis rijdt van zijn net overleden vader, maar ook over het opschrijven van die gebeurtenissen, wat we hem zien doen op een vroege morgen in ochtendjas en met een pet van Tottenham Hotspur op. Dat schrijven roept bij Voois allerlei herinneringen aan eerdere doden op. ‘Als een archeoloog die onderzoek doet naar wat er van hemzelf is verdwenen’ denkt hij aan een bevriende schrijver en dichter die zelfmoord pleegde (je zou er Joost Zwagerman in kunnen herkennen), aan een interviewer en dichter die kort daarna zelfmoord pleegde (die lijkt op Wim Brands), aan eigen zware momenten. Al dat gesterf leidt bij Voois tot de vrees dat hij vóór het einde van dit boek zelf ook het loodje zal hebben gelegd.

Want door zijn vaders dood voelt hij iets wat hij verbindt aan de depressie die de Zwagerman-achtige dichter over de rand duwde: het gevoel verworden te zijn tot een soort zombie, die de roes van het leven niet meer vond, ‘er was slechts de dofheid die de glans van alle dingen wegneemt’. Een overtuigend gevoel, niet het minst omdat die theorie echt aan Zwagermans lot te verbinden is, zo voelt dat althans.

Het enige wat Storm (pardon: Voois) dan nog kan doen is schrijven om de dood te bezweren, want literatuur bezit het vermogen om haar eigen hermetische gebied te doorbreken. Daar zijn we getuige van en daarmee weet Storm een roezig boek lang te boeien, betoveren bijna.

Er staat één vreemde, want atypische zin aan het begin van Een diadeem van dauw, dat verder nogal nuchter van toon is: ‘Om vijf uur krult het daglicht als geniepige vingers rond de gordijnen in onze slaapkamer; het ochtendgloren infiltreert de kamer als schitterende gele stofdeeltjes.’ Op weg naar het einde valt die op zijn plek: dat is het moment, nota bene ontleend aan poëzie van John Keats, waarop de dauw neerslaat, het enige moment waarop August Voois opgaat in de situatie. In een roes – dankzij de literatuur.