Recensie

‘Niet meer over praten, dat is het beste’

Architectuur

De vervolging van collaborerende architecten liep na de Tweede Wereldoorlog uit op een mislukking, concludeert architectuurhistoricus David Keuning in zijn proefschrift over de zuiveringen.

NSB-leider Anton Mussert op een architectuurtentoonstelling in het Stedelijk Museum in Amsterdam, 1943 Foto uit besproken boek

De komkommertijd was afgelopen zomer nog maar net begonnen of het oorlogsverleden van J.J.P. Oud, de internationaal vermaarde Nederlandse pionier van het Nieuwe Bouwen, werd voor de derde keer in vijf jaar opgerakeld. ‘Monument op Dam „beetje fout”’, luidde deze keer de kop boven het artikel in de Volkskrant over Oud, die na de oorlog het Nationaal Monument in Amsterdam ontwierp. Oud had tijdens de oorlog niet alleen ‘pompeuze’, Speer-achtige ontwerpen gemaakt voor de wederopbouw van het in 1940 gebombardeerde Rotterdam, zo viel te lezen in het artikel, maar ook zou hij hebben geprobeerd om in het gevlij te komen bij Rijkscommissaris Seyss- Inquart om de hoofdarchitect van de wederopbouw te worden. Om zijn verhoudingen met de Duitse bezetter niet te verstoren, zou Oud in 1943 hulp hebben geweigerd aan zijn zakelijke relatie Hans Polak toen deze dreigde te worden gedeporteerd. Bron van deze laatste beschuldiging is Polaks zoon Michiel. Deze oud-docent aan de Technische Universiteit in Delft maakte in 2012 op zijn site melding van Ouds oorlogsverleden, wat toen, en drie jaar later weer, kranten en de site ThePostOnline haalde.

Kultuurkamer

Deze zomer was de aanleiding voor de herhaling van het oude nieuws over Oud de verschijning van Bouwkunst en de Nieuwe Orde. Collaboratie en berechting van Nederlandse architecten 1940-1950, het proefschrift waarmee architectuurhistoricus David Keuning (1976) onlangs promoveerde. Hierin meldt Keuning al in de inleiding als nieuw feit dat Oud lid was van de door de Duitse bezetters ingestelde Kultuurkamer. Weliswaar spreekt dit vanzelf bij een architect die in de Tweede Wereldoorlog doorwerkte, maar Ouds lidmaatschap van de Kultuurkamer was tot nu toe nooit expliciet vermeld in de artikelen over zijn oorlogsverleden.

Oud was geen uitzondering, zo blijkt uit Keunings studie: ook andere prominente architecten waren lid. Ben Merkelbach, de latere stadsarchitect van Amsterdam, riep in 1942 de leden van De 8, de vereniging van functionalistische architecten, zelfs op om lid te worden van de Kultuurkamer. Op drie na, onder wie Gerrit Rietveld, gaven alle leden hieraan gevolg.

Na de oorlog beschouwde de Ereraad voor Architectuur, een van de Ereraden die de kunsten moesten zuiveren van collaborateurs, het lidmaatschap van de Kultuurkamer niet als een ernstig vergrijp. Oud, voor wiens vermeende contacten met Seyss-Inquart Keuning overigens geen enkel bewijs heeft gevonden, hoefde dan ook niet te verschijnen voor de Ereraad. Merkelbach en zijn compagnon Charles Karsten, die in de oorlog werkten aan onder meer de vliegtuigfabrieken van Fokker in Amsterdam, werden wél veroordeeld, tot onder meer ‘uitsluiting van het recht opdrachten te aanvaarden van de overheid’ tot 1 januari 1948.

Stijl en moraal

Lidmaatschap van de Kultuurkamer was niet verbonden met bepaalde opvattingen over architectuur, laat Keuning al in het begin van zijn boek weten. Weliswaar wist Oud kort na de oorlog in artikelen in De Groene Amsterdammer zijn traditionalistische collega’s verdacht te maken door hun werk te verbinden met nazi-architectuur – een gotspe die Keuning overigens niet vermeldt –, de naoorlogse bestempeling van traditionalisme tot ‘foute’ en modernisme tot ‘goede’ architectuur noemt hij ‘een karikatuur’. Kopstukken van de traditionalistische Delftse School als Granpré Molière, Berghoef en Friedhoff hebben zich nooit ingelaten met het nazisme, stelt hij vast. Architectuur kan niet nationaal-socialistisch of fascistisch zijn, schrijft hij ook: het uitgangspunt van zijn studie is dan ook ‘dat de stijl of kwaliteit van de architectuur niets te maken hoeft te hebben met het morele besef van de architect’.

Het grootste deel van Bouwkunst en de Nieuwe Orde is gewijd aan de organisatie van de berechting van de collaborerende architecten – naast de tuchtrechelijke Ereraden werden er ook strafrechtelijke Tribunalen en Bijzondere Gerechtshoven in het leven geroepen – en aan behandeling van de zaken tegen collaborerende architecten. Hieronder bevinden zich enkele bekendheden, onder wie de traditionalist Alexander Kropholler, de expressionist Hendrik Wijdeveld en de ex-functionalist Arthur Staal. Maar de meeste veroordeelde architecten waren kleine namen die tijdens de oorlog hun kans schoon zagen om in de besturen te komen van de gelijkgeschakelde Bond van Nederlandse Architecten (BNA) en nieuwe instellingen van de Nieuwe Orde, zoals het Gilde voor Bouwkunst, Beeldende Kunsten en Kunstambacht.

Zwijgen

Uiteindelijk liep de zuivering uit op een faliekante mislukking, zo oordeelt Keuning in de epiloog. Al in november 1946, lang voordat alle zaken waren behandeld, gaf de Ereraad voor Architectuur er de brui aan. Voornaamste reden was dat negentien van de 48 tot dan toe veroordeelde architecten bij de Centrale Ereraad in beroep waren gegaan tegen hun strafoplegging, wat in bijna alle gevallen leidde tot een aanzienlijke strafvermindering. Dat er zulke grote verschillen bestonden tussen de opvattingen van de Ereraad voor Architectuur en die van de Centrale Ereraad, komt volgens Keuning onder meer doordat ‘de gedachtegang achter de zuivering te weinig was uitgewerkt om succesvol te zijn’. Zo werd lidmaatschap van de NSB of de gelijkgeschakelde BNA collaborateurs zwaar aangerekend, terwijl dat van de Kultuurraad of van fascistische bewegingen als Zwart Front geen punt was. Dit werkte willekeur in de hand. De beoordelingen van de Ereraad riepen daarom niet zelden verbazing op in het architectuurwereldje: sommige architecten werden gestraft voor delicten die niet ernstiger waren dan wat niet veroordeelde collega’s hadden uitgespookt in de oorlogsjaren. ‘Hier maar niet meer over praten, dat is het allerbeste’, was de conclusie over het oorlogsverleden van architecten die J.P. Mieras, de vroegere voorzitter van de BNA, al in januari 1946 trok in zijn dagboek. ‘Dat gebeurde in de vakgemeenschap van architecten dus ook niet meer; niet binnen de BNA en ook niet daarbuiten’, zo besluit Keuning zijn boek.