Column

Institutionele meccano zal Europa niet helpen

Jean-Claude Juncker, voorzitter van de Europese Commissie, zette zijn jaarlijkse ‘State of the Union’ in Straatsburg sterk in. Hij bracht woensdag overtuigende boodschappen over handelspolitiek en migratie – met oog voor zorgen van kiezers over Chinese dumping en chaos aan de buitengrenzen, zonder Europa’s open economie en gastvrijheid te loochenen. Ook koos hij resoluut tegen een ‘Unie van meerdere snelheden’, met de wens alle lidstaten zo snel mogelijk in de euro en Schengen te halen. Dit was op zijn minst een welkome poging de breuk tussen Oost- en West-Europa te lijmen – een laatste appèl aan de opstandige regeringen in Boedapest en Warschau zich in de kring te scharen en zich geen tweederangs-lidstaat te voelen.

Helaas kon hij het aan het slot van zijn rede niet nalaten een greep in de kist met institutionele meccano te doen. Zijn opvallendste voorstel was het „fuseren” van de voorzitterschappen van Commissie (Junckers rol) en Europese Raad van regeringsleiders (Donald Tusk). In Brussels jargon: een dubbele hoed. Juncker noemt efficiëntie als argument. Dat het logischer zou lijken voor burgers en buitenlandse leiders geldt ook als pre. De persoon zou worden gekozen op basis van de Europese Parlementsverkiezingen; Juncker deed alsof het – zonder verdragswijziging – al in 2019 zou kunnen. Premier Rutte schoot het idee prompt af als overbodige „visie”; de Deense premier Rasmussen twitterde dat we „niet competenties en rollen” moeten vermengen. Rond Macron en Merkel bleef het nog stil.

Het Europese politieke stelsel is met goede reden niet in één hand gelegd

Waarom is het zo’n slecht idee? Een Europese super-voorzitter zou een politieke revolutie betekenen en alle institutionele evenwichten in de Unie verstoren. De ambtelijke onafhankelijkheid van de Commissie, in haar oordelen over nationale begrotingen of mededingingszaken, komt in het geding. De Europese Raad, onmisbare gezagsbron als plotselinge gebeurtenissen om gezamenlijk optreden van regeringen en instellingen vragen, riskeert slagkracht te verliezen.

De Commissie meent er sterker uit te komen; federalistische Europarlementariërs applaudisseren. Maar zoals oud-Raadsvoorzitter Van Rompuy in zijn tijd zei: „Voorstanders gaan ervan uit dat de Commissievoorzitter dan ook Europese-Raadsvoorzitter wordt; maar…” – en dan glimlachte de Belg malicieus – „wie zegt dat niet het omgekeerde gebeurt?”

Als burgers dragen wij de Unie in onze nationale én EU-hoedanigheid. De twee executieve leiders weerspiegelen dat. De Commissievoorzitter ontleent zijn positie aan de uitslag van de Europese verkiezingen; de Europese Raadsvoorzitter, gekozen door nationale regeringsleiders, indirect aan de uitslag van de opgetelde nationale verkiezingen. Als je die constitutionele lijnen gaat kruisen, raken verantwoordelijkheden in de knoop. Wie spreekt namens wie?

De ‘dubbele hoed’ is één keer geprobeerd – in de buitenlandpolitiek. Geen succes. Federica Mogherini is zowel Hoge Vertegenwoordiger bij de Raad als vicevoorzitter van de Commissie, net als Catherine Ashton eerder. In plaats van Brusselse en nationale middelen en bevoegdheden samen te brengen, zoals het doel was, valt ze er nu tussen en gaat vaak haar eigen gang. Voor zover EU-landen meer samen doen dan tien jaar geleden, komt dit doordat geopolitieke crises om ons heen het besef van gedeelde belangen versterkten, niet dankzij de institutionele meccano.

Het Europese politieke stelsel is met goede reden niet in één hand gelegd. Het weerspiegelt machtsevenwichten en cultuurverschillen, hervormt zich als het nodig is, waarborgt ieders inbreng en vrijheden. Het vraagt steeds om samenspel, zoals in elke westerse democratie gebruikelijk. Dit kan prima; het duo Van Rompuy–Barroso (2009-2014) werkte in tandem en ook Junckers grote voorbeeld, Jacques Delors, liet het in zijn beste dagen zien. Aan de slag met de instellingen die we hebben.

Luuk van Middelaar is politiek filosoof en hoogleraar Europees recht en EU-studies (Leiden, Louvain-la-Neuve).